wandelen
werkwoord ˈwɑndələ(n)Betekenis
- gericht een wandeling maken
- ongericht een wandeling maken
- zich veranderen
- heen en weer gaan, ronddwalen
Hoe spreek je wandelen uit?
/ˈwɑndələn/
Wandelen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| w | quiz |
| ɑ | bad |
| n | nek |
| d | dak |
| ə | de |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van wandelen
wandelenhele werkwoord — wandeldeverleden tijd enkelvoud — wandeldenverleden tijd meervoud — gewandeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | wandel | wandelde |
| jij | wandelt | wandelde |
| hij, zij, het | wandelt | wandelde |
| wij | wandelen | wandelden |
| jullie | wandelen | wandelden |
| zij | wandelen | wandelden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gewandeld | verleden tijd, deelwoord |
| gewandeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gewandeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gewandeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gewandeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gewandeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gewandeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gewandeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gewandeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gewandeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gewandeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gewandeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gewandeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gewandeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gewandeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gewandeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gewandeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gewandeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben gewandeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te wandelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen wandelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| wandel | gebiedende wijs |
| wandelde | verleden tijd |
| wandele | aanvoegende wijs |
| wandelend | onvoltooid, deelwoord |
| zal gewandeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gewandeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gewandeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal wandelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal wandelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal wandelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gewandeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gewandeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gewandeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou wandelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou wandelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou wandelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gewandeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gewandeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gewandeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden wandelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden wandelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden wandelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gewandeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt wandelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gewandeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gewandeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gewandeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen wandelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen wandelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen wandelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen wandelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gewandeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult wandelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘lopen’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Woordfamilie van wandelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gewandeld | voltooid deelwoord | wandelen |
| gewandelde | woordvorm | wandelen |
| wandelde | verleden tijd | wandelen |
| wandelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | wandelen |
| wandele | aanvoegende wijs | wandelen |
| wandelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | wandelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van wandelen zijn vastgelegd.