tippelen
werkwoordBetekenis
- op stelen uitgaan
- in 'tippelen op': uit zijn op, gecharmeerd zijn van
- bezig zijn met straatprostitutie
- lopen, wandelen (met korte, vlugge pasjes)
Vervoeging van tippelen
tippelenhele werkwoord — tippeldeverleden tijd enkelvoud — tippeldenverleden tijd meervoud — getippeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | tippel | tippelde |
| jij | tippelt | tippelde |
| hij, zij, het | tippelt | tippelde |
| wij | tippelen | tippelden |
| jullie | tippelen | tippelden |
| zij | tippelen | tippelden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| getippeld | verleden tijd, deelwoord |
| getippeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| getippeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had getippeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had getippeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had getippeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden getippeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden getippeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden getippeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt getippeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb getippeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben getippeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben getippeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben getippeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben getippeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt getippeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft getippeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft getippeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben getippeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te tippelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen tippelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| tippel | gebiedende wijs |
| tippelde | verleden tijd |
| tippele | aanvoegende wijs |
| tippelend | onvoltooid, deelwoord |
| zal getippeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal getippeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal getippeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal tippelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal tippelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal tippelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou getippeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou getippeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou getippeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou tippelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou tippelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou tippelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden getippeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden getippeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden getippeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden tippelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden tippelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden tippelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt getippeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt tippelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen getippeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen getippeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen getippeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen tippelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen tippelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen tippelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen tippelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult getippeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult tippelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Jiddisch, in de betekenis van ‘de baan opgaan (van hoeren)’ voor het eerst aangetroffen in 1906
Woordfamilie van tippelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| getippeld | voltooid deelwoord | tippelen |
| tippelde | verleden tijd | tippelen |
| tippelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | tippelen |
| tippele | aanvoegende wijs | tippelen |
| tippelend | onvoltooid deelwoord | tippelen |
| tippelende | woordvorm | tippelen |
| tippelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | tippelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van tippelen zijn vastgelegd.