voordragen
werkwoord ˈvordraɣə(n)Betekenis
- een gedicht of tekst ten gehore brengen
- als kandidaat voorstellen
Hoe spreek je voordragen uit?
/ˈvordraxən/
Voordragen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| o | boot |
| r | rood |
| d | dak |
| a | maan |
| x | acht |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van voordragen
voordragenhele werkwoord — droeg voorverleden tijd enkelvoud — droegen voorverleden tijd meervoud — voorgedragenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | draag voor | droeg voor |
| jij | draagt voor | droeg voor |
| hij, zij, het | draagt voor | droeg voor |
| wij | dragen voor | droegen voor |
| jullie | dragen voor | droegen voor |
| zij | dragen voor | droegen voor |
Alle 108 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| draag voor | gebiedende wijs |
| droeg voor | verleden tijd |
| er is voorgedragen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was voorgedragen | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd voorgedragen | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt voorgedragen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal voorgedragen worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal voorgedragen zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou voorgedragen worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou voorgedragen zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had voorgedragen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had voorgedragen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had voorgedragen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden voorgedragen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden voorgedragen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden voorgedragen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt voorgedragen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb voorgedragen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben voorgedragen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben voorgedragen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben voorgedragen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben voorgedragen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt voorgedragen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft voorgedragen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft voorgedragen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is voorgedragen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben voorgedragen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen voordragen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voor te dragen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| voor te zullen dragen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voor zal dragen | bijzin, toekomende tijd |
| voor zou dragen | bijzin, voorwaardelijk |
| voor zouden dragen | bijzin, voorwaardelijk |
| voor zoudt dragen | bijzin, voorwaardelijk |
| voor zullen dragen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| voor zullen dragen | bijzin, toekomende tijd |
| voor zult dragen | bijzin, toekomende tijd |
| voordraag | bijzin, tegenwoordige tijd |
| voordraagt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| voordragend | onvoltooid, deelwoord |
| voordroeg | bijzin, verleden tijd |
| voordroegen | bijzin, verleden tijd |
| voordroegt | bijzin, verleden tijd |
| voorgedragen | verleden tijd, deelwoord |
| voorgedragen te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| voorgedragen te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| voorgedragen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voorgedragen te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voorgedragen te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voorgedragen worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| voorgedragen zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| voorgedragen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| voorgedragen zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| voorgedragen zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| waren voorgedragen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was voorgedragen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd voorgedragen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werden voorgedragen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| worden voorgedragen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt voorgedragen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| zal voordragen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal voordragen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal voordragen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal voordragen | bijzin, toekomende tijd |
| zal voorgedragen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal voorgedragen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal voorgedragen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal voorgedragen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal voorgedragen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn voorgedragen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zou voordragen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou voordragen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou voordragen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou voordragen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou voorgedragen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou voorgedragen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou voorgedragen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou voorgedragen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou voorgedragen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) voordragen voor zou(dt) dragen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden voordragen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden voordragen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden voordragen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden voordragen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden voorgedragen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden voorgedragen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden voorgedragen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden voorgedragen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden voorgedragen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt voordragen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt voordragen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt voorgedragen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen voordragen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen voordragen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen voordragen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen voordragen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen voordragen | bijzin, toekomende tijd |
| zullen voorgedragen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen voorgedragen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen voorgedragen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen voorgedragen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen voorgedragen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult voordragen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult voordragen | bijzin, toekomende tijd |
| zult voorgedragen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult/zal voordragen voor zult/zal dragen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van voor bw en dragen ww
Woordfamilie van voordragen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| draag voor | gebiedende wijs | voordragen |
| draagt voor | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | voordragen |
| drage voor | woordvorm | voordragen |
| dragen voor | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | voordragen |
| droeg voor | verleden tijd | voordragen |
| droegen voor | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | voordragen |
| voordraag | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | voordragen |
| voordraagt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | voordragen |
| voordrage | with-subordinate-clause | voordragen |
| voordragend | onvoltooid deelwoord | voordragen |
| voordragende | woordvorm | voordragen |
| voordroeg | subordinate-clause, verleden tijd | voordragen |
| voordroegen | subordinate-clause, verleden tijd | voordragen |
| voorgedragen | voltooid deelwoord | voordragen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van voordragen zijn vastgelegd.