vis-à-vis
bijwoord, voorzetsel, zelfstandig naamwoord ˌvizaˈviBetekenis
- direct tegenover elkaar, met de gezichten naar elkaar toe
- direct tegenover
- ten aanzien van
- iemand die direct tegenover zit of staat
- toestand waarin men recht tegenover elkaar zit of staat
- bankje met S-vormige leuning waarop twee mensen tegenover elkaar kunnen zitten
- rijtuig waarin twee passagiers tegenover elkaar zitten
- type auto waarin de passagiers tegenover elkaar zitten
- klavecimbel voor twee bespelers die tegenover elkaar zitten, elk met een eigen klavier
- tegenover elkaar
Hoe spreek je vis-à-vis uit?
/ˌvizaˈvi/
Vis-à-vis bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| i | riet |
| z | zon |
| a | maan |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Herkomst
van Frans vis-à-vis, als voorzetsel aangetroffen vanaf 1776