verzwijgen
werkwoord vərˈzwɛiɣə(n)Betekenis
- iets niet vertellen
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Hoe spreek je verzwijgen uit?
/vərˈzwɛixən/
Verzwijgen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| ə | de |
| r | rood |
| z | zon |
| w | quiz |
| ɛi | trein |
| x | acht |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van verzwijgen
verzwijgenhele werkwoord — verzweegverleden tijd enkelvoud — verzwegenverleden tijd meervoud — verzwegenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | verzwijg | verzweeg |
| jij | verzwijgt | verzweeg |
| hij, zij, het | verzwijgt | verzweeg |
| wij | verzwijgen | verzwegen |
| jullie | verzwijgen | verzwegen |
| zij | verzwijgen | verzwegen |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben verzwegen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent verzwegen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is verzwegen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was verzwegen | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd verzwegen | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt verzwegen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal verzwegen worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal verzwegen zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou verzwegen worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou verzwegen zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had verzwegen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had verzwegen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had verzwegen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden verzwegen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden verzwegen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden verzwegen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt verzwegen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb verzwegen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verzwegen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben verzwegen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verzwegen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben verzwegen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt verzwegen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verzwegen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verzwegen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is verzwegen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is verzwegen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben verzwegen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te verzwijgen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen verzwijgen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verzweeg | verleden tijd |
| verzwegen | verleden tijd, deelwoord |
| verzwegen te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verzwegen te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verzwegen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verzwegen te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verzwegen te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verzwegen worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verzwegen zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verzwegen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verzwegen zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verzwegen zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verzwijg | gebiedende wijs |
| verzwijge | aanvoegende wijs |
| verzwijgend | onvoltooid, deelwoord |
| waart verzwegen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verzwegen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren verzwegen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verzwegen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was verzwegen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was verzwegen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was verzwegen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd verzwegen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd verzwegen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd verzwegen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden verzwegen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden verzwegen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden verzwegen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt verzwegen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word verzwegen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden verzwegen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden verzwegen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden verzwegen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt verzwegen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt verzwegen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal verzwegen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verzwegen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal verzwegen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verzwegen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verzwegen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal verzwegen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verzwegen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verzwijgen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal verzwijgen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal verzwijgen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn verzwegen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn verzwegen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn verzwegen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt verzwegen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou verzwegen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verzwegen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verzwegen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verzwegen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verzwegen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou verzwegen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verzwegen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verzwegen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verzwegen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verzwijgen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou verzwijgen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou verzwijgen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden verzwegen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verzwegen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verzwegen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verzwegen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verzwegen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verzwegen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verzwegen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verzwegen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verzwegen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verzwijgen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verzwijgen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verzwijgen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt verzwegen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verzwegen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verzwegen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verzwijgen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen verzwegen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verzwegen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verzwegen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verzwegen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verzwegen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verzwegen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verzwegen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verzwegen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verzwegen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verzwijgen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen verzwijgen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verzwijgen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verzwijgen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult verzwegen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verzwegen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verzwegen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verzwijgen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van zwijgen met het voorvoegsel ver-
Woordfamilie van verzwijgen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verzweeg | verleden tijd | verzwijgen |
| verzwegen | voltooid deelwoord | verzwijgen |
| verzwijg | gebiedende wijs | verzwijgen |
| verzwijge | aanvoegende wijs | verzwijgen |
| verzwijgend | onvoltooid deelwoord | verzwijgen |
| verzwijgende | woordvorm | verzwijgen |
| verzwijgt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | verzwijgen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verzwijgen zijn vastgelegd.