zijgen
werkwoord ˈzɛiɣə(n)Betekenis
- naar beneden zakken, zich laten vallen
Hoe spreek je zijgen uit?
/ˈzɛixən/
Zijgen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| z | zon |
| ɛi | trein |
| x | acht |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van zijgen
zijgenhele werkwoord — zeegverleden tijd enkelvoud — zegenverleden tijd meervoud — gezegenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zijg | zeeg |
| jij | zijgt | zeeg |
| hij, zij, het | zijgt | zeeg |
| wij | zijgen | zegen |
| jullie | zijgen | zegen |
| zij | zijgen | zegen |
Alle 99 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gezegen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gezegen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gezegen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gezegen | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gezegen | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gezegen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gezegen worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gezegen zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gezegen worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gezegen zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gezegen | verleden tijd, deelwoord |
| gezegen te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gezegen te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gezegen te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gezegen te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gezegen te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gezegen worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gezegen zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gezegen zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gezegen zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gezegen zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| is gezegen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gezegen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te zijgen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn gezegen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen zijgen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gezegen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gezegen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gezegen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gezegen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gezegen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gezegen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gezegen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gezegen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gezegen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gezegen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gezegen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gezegen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gezegen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gezegen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gezegen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gezegen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gezegen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gezegen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gezegen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gezegen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gezegen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gezegen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gezegen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gezegen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gezegen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal zijgen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal zijgen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal zijgen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zeeg | verleden tijd |
| zijg | gebiedende wijs |
| zijge | aanvoegende wijs |
| zijgend | onvoltooid, deelwoord |
| zijn gezegen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn gezegen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gezegen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gezegen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gezegen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gezegen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gezegen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gezegen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gezegen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gezegen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gezegen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou zijgen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou zijgen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou zijgen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gezegen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gezegen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gezegen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gezegen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gezegen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gezegen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden zijgen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden zijgen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden zijgen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gezegen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gezegen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt zijgen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gezegen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gezegen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gezegen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gezegen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gezegen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gezegen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen zijgen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen zijgen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen zijgen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen zijgen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gezegen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gezegen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult zijgen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘langzaam neerdalen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1291
Woordfamilie van zijgen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gezegen | voltooid deelwoord | zijgen |
| zijg | gebiedende wijs | zijgen |
| zijge | aanvoegende wijs | zijgen |
| zijgend | onvoltooid deelwoord | zijgen |
| zijgende | woordvorm | zijgen |
| zijgt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | zijgen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zijgen zijn vastgelegd.