Naar de inhoud

rijgen

met een naald een draad ergens doorvoeren

rijgen

werkwoord /ˈrɛɪɣə(n)/

Betekenis

  1. met een naald een draad ergens doorvoeren

Hoe spreek je rijgen uit?

/ˈrɛixən/

Rijgen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈrɛixən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
r rood
ɛi trein
x acht
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van rijgen

rijgenhele werkwoord — reegverleden tijd enkelvoud — regenverleden tijd meervoud — geregenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik rijg reeg
jij rijgt reeg
hij, zij, het rijgt reeg
wij rijgen regen
jullie rijgen regen
zij rijgen regen
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben geregen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent geregen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is geregen impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was geregen impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd geregen impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt geregen impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal geregen worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal geregen zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou geregen worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou geregen zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
geregen verleden tijd, deelwoord
geregen te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geregen te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geregen te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geregen te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
geregen te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geregen worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geregen zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geregen zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
geregen zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
geregen zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had geregen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had geregen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had geregen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden geregen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden geregen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden geregen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt geregen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb geregen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geregen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben geregen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geregen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben geregen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt geregen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geregen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geregen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is geregen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is geregen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
reeg verleden tijd
rijg gebiedende wijs
rijge aanvoegende wijs
rijgend onvoltooid, deelwoord
te hebben geregen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te rijgen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen rijgen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart geregen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geregen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren geregen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geregen voltooid, verleden tijd, derde persoon
was geregen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was geregen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was geregen voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd geregen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd geregen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd geregen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden geregen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden geregen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden geregen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt geregen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word geregen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden geregen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden geregen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden geregen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt geregen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt geregen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal geregen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geregen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal geregen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal geregen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geregen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal geregen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geregen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal rijgen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal rijgen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal rijgen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn geregen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn geregen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn geregen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt geregen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou geregen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geregen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geregen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou geregen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geregen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou geregen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geregen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geregen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geregen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou rijgen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou rijgen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou rijgen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden geregen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geregen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geregen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geregen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden geregen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden geregen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geregen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geregen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geregen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden rijgen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden rijgen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden rijgen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt geregen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geregen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geregen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt rijgen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen geregen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geregen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geregen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen geregen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen geregen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen geregen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen geregen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geregen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geregen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen rijgen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen rijgen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen rijgen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen rijgen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult geregen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult geregen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult geregen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult rijgen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

In de betekenis van ‘aan een snoer hechten’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1330

Woordfamilie van rijgen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
geregen voltooid deelwoord rijgen
reeg verleden tijd rijgen
reegt aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, enkelvoud, 2e persoon rijgen
rijg gebiedende wijs rijgen
rijge aanvoegende wijs rijgen
rijgend onvoltooid deelwoord rijgen
rijgende woordvorm rijgen
rijgt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon rijgen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van rijgen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over rijgen

Hoe spreek je rijgen uit?
De uitspraak van rijgen is: /ˈrɛɪɣə(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd. Het teken ˈ geeft de klemtoon aan: de nadruk valt op de eerste lettergreep.
Wat betekent rijgen?
Rijgen is een werkwoord. Het woord betekent: met een naald een draad ergens doorvoeren.
Hoe vervoeg je rijgen?
Je vervoegt rijgen als volgt: de tegenwoordige tijd is rijg, de verleden tijd is reeg en het voltooid deelwoord is geregen. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op rijgen?

Rijgen rijmt op 8 woorden op -ijgen; verkrijgen, bedreigen en eigen bijvoorbeeld. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Rijmwoorden op rijgen, uitspraak ˈrɛixən, de gangbaarste eerst.
Rijmwoord Lettergrepen
verkrijgen 3
bedreigen 3
eigen 2
stijgen 2
zijgen 2
verzwijgen 3
aanhijgen 3
mijgen 2

Scrabble punten

Naar spel

Het woord rijgen is 12 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. R 2
  2. I 1
  3. J 4
  4. G 3
  5. E 1
  6. N 1
  7. 12 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

rijgen levert met Wordfeud minimaal 13 en maximaal 63 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. R 2
  2. I 2
  3. J 4
  4. G 3
  5. E 1
  6. N 1
  7. 13 zonder bonus
  8. 63 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (J) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

rijgen telt 6 letters, waarvan 6 verschillende. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 13.213 woorden van 6 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

rijgen in het kort

rijgen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van rijgen zijn 76 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort rijgen bij een woordfamilie van 8 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

rijgen: met een naald een draad ergens doorvoeren
Deel rijgen — standaardnederlands.nl