doodzwijgen
werkwoordBetekenis
- negeren door er over te zwijgen
Vervoeging van doodzwijgen
doodzwijgenhele werkwoord — zweeg doodverleden tijd enkelvoud — zwegen doodverleden tijd meervoud — doodgezwegenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zwijg dood | zweeg dood |
| jij | zwijgt dood | zweeg dood |
| hij, zij, het | zwijgt dood | zweeg dood |
| wij | zwijgen dood | zwegen dood |
| jullie | zwijgen dood | zwegen dood |
| zij | zwijgen dood | zwegen dood |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben doodgezwegen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent doodgezwegen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| dood te zullen zwijgen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| dood te zwijgen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| dood zal zwijgen | bijzin, toekomende tijd |
| dood zou zwijgen | bijzin, voorwaardelijk |
| dood zouden zwijgen | bijzin, voorwaardelijk |
| dood zoudt zwijgen | bijzin, voorwaardelijk |
| dood zullen zwijgen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| dood zullen zwijgen | bijzin, toekomende tijd |
| dood zult zwijgen | bijzin, toekomende tijd |
| doodgezwegen | verleden tijd, deelwoord |
| doodgezwegen te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| doodgezwegen te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| doodgezwegen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| doodgezwegen te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| doodgezwegen te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| doodgezwegen worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| doodgezwegen zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| doodgezwegen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| doodgezwegen zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| doodgezwegen zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| doodzweeg | bijzin, verleden tijd |
| doodzwegen | bijzin, verleden tijd |
| doodzwijg | bijzin, tegenwoordige tijd |
| doodzwijgend | onvoltooid, deelwoord |
| doodzwijgt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| er is doodgezwegen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was doodgezwegen | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd doodgezwegen | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt doodgezwegen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal doodgezwegen worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal doodgezwegen zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou doodgezwegen worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou doodgezwegen zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had doodgezwegen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had doodgezwegen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had doodgezwegen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden doodgezwegen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden doodgezwegen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden doodgezwegen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt doodgezwegen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb doodgezwegen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben doodgezwegen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben doodgezwegen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben doodgezwegen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben doodgezwegen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt doodgezwegen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft doodgezwegen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft doodgezwegen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is doodgezwegen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is doodgezwegen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben doodgezwegen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen doodzwijgen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart doodgezwegen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren doodgezwegen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren doodgezwegen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren doodgezwegen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was doodgezwegen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was doodgezwegen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was doodgezwegen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd doodgezwegen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd doodgezwegen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd doodgezwegen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden doodgezwegen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden doodgezwegen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden doodgezwegen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt doodgezwegen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word doodgezwegen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden doodgezwegen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden doodgezwegen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden doodgezwegen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt doodgezwegen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt doodgezwegen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal doodgezwegen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal doodgezwegen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal doodgezwegen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal doodgezwegen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal doodgezwegen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal doodgezwegen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal doodgezwegen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal doodzwijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal doodzwijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal doodzwijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal doodzwijgen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn doodgezwegen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn doodgezwegen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn doodgezwegen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt doodgezwegen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou doodgezwegen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou doodgezwegen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou doodgezwegen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou doodgezwegen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou doodgezwegen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou doodgezwegen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou doodgezwegen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou doodgezwegen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou doodgezwegen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou doodzwijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou doodzwijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou doodzwijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou doodzwijgen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) doodzwijgen dood zou(dt) zwijgen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden doodgezwegen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden doodgezwegen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden doodgezwegen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden doodgezwegen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden doodgezwegen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden doodgezwegen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden doodgezwegen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden doodgezwegen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden doodgezwegen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden doodzwijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden doodzwijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden doodzwijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden doodzwijgen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt doodgezwegen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt doodgezwegen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt doodgezwegen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt doodzwijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt doodzwijgen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen doodgezwegen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen doodgezwegen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen doodgezwegen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen doodgezwegen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen doodgezwegen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen doodgezwegen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen doodgezwegen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen doodgezwegen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen doodgezwegen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen doodzwijgen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen doodzwijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen doodzwijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen doodzwijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen doodzwijgen | bijzin, toekomende tijd |
| zult doodgezwegen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult doodgezwegen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult doodgezwegen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van dood en zwijgen
Woordfamilie van doodzwijgen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| doodgezwegen | voltooid deelwoord | doodzwijgen |
| doodzweeg | subordinate-clause, verleden tijd | doodzwijgen |
| doodzwegen | subordinate-clause, verleden tijd | doodzwijgen |
| doodzwijg | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | doodzwijgen |
| doodzwijge | with-subordinate-clause | doodzwijgen |
| doodzwijgend | onvoltooid deelwoord | doodzwijgen |
| doodzwijgende | woordvorm | doodzwijgen |
| doodzwijgt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | doodzwijgen |
| zweeg dood | verleden tijd | doodzwijgen |
| zwegen dood | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | doodzwijgen |
| zwijg dood | gebiedende wijs | doodzwijgen |
| zwijge dood | woordvorm | doodzwijgen |
| zwijgen dood | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | doodzwijgen |
| zwijgt dood | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | doodzwijgen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van doodzwijgen zijn vastgelegd.