eigen
bijvoeglijk naamwoord, werkwoord /ˈɛi̯ɣə(n)/Betekenis
- op zichzelf betrekking hebbend, van jezelf
- typisch (voor)
Hoe spreek je eigen uit?
/ˈɛixən/
Eigen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɛi | trein |
| x | acht |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| eigener | onverbogen, vergrotende trap |
| eigenere | verbogen, vergrotende trap |
| eigeners | partitief, vergrotende trap |
| eigens | partitief, stellende trap |
| eigenst | onverbogen, overtreffende trap |
| eigenste | verbogen, overtreffende trap |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van eigenen
- gebiedende wijs van eigenen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van eigenen
Vervoeging van eigen
eigenhele werkwoord
Herkomst
erfwoord via Middelnederlands eigen / eighin van Oudnederlands ēgan , in de betekenis van ‘van het subject’ aangetroffen vanaf 1100, voltooid deelwoord van het werkwoord *eigan ('bezitten'), van Germaans *aiganan, vergelijk Oudhoogduits eigan, eigen, Angelsaksisch āgen, Engels own; als zelfstandig naamwoord 'bezit, eigendom' in Oudhoogduits eigan, Gotisch aigin
Woordfamilie van eigen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| eigener | vergrotende trap | eigen |
| eigenere | verbogen vergrotende trap | eigen |
| eigeners | partitieve vergrotende trap | eigen |
| eigens | partitive, positive | eigen |
| eigenst | uninflected, superlative | eigen |
| eigenste | inflected, superlative | eigen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van eigen zijn vastgelegd.