verbintenis
zelfstandig naamwoordBetekenis
- verbindende afspraak
- vermogensrechtelijke rechtsbetrekking tussen twee personen, krachtens welke de presteerder (schuldenaar) een bepaalde prestatie (doen of nalaten) verschuldigd is aan de andere partij (schuldeiser)
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| verbintenisje | verkleinwoord, enkelvoud |
| verbintenisjes | verkleinwoord, meervoud |
| verbintenissen | meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘rechtsbetrekking waardoor over en weer rechten en verplichtingen ontstaan’ voor het eerst aangetroffen in 1299.
Woordfamilie van verbintenis
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verbintenisje | verkleinwoord | verbintenis |
| verbintenisjes | verkleinwoord meervoud | verbintenis |
| verbintenissen | meervoud | verbintenis |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verbintenis zijn vastgelegd.