tint
zelfstandig naamwoord, werkwoord tɪntBetekenis
- variatie van een kleur die ontstaat door die lichter of donkerder te maken
- mate waarin een beeld een lichte of juist donker indruk maakt
- heel geringe indruk, lichte graad
- kleur van het uiterlijk
- variatie van een kleur die ontstaat door verschil in golflengte (bij beschrijving kleuren binnen een kleurruimte; deze betekenis wijkt af van die in het traditionele spraakgebruik)
- bepaalde ideologische invalshoek
- donkerrode Spaanse wijn van de tintodruif
Hoe spreek je tint uit?
/tɪnt/
Tint bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| ɪ | pit |
| n | nek |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- variatie van een kleur die ontstaat door verschil in golflengte
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| tinten | meervoud |
| tintje | verkleinwoord, enkelvoud |
| tintjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- enkelvoud tegenwoordige tijd van tinten
- gebiedende wijs van tinten
Vervoeging van tint
tinthele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘kleur’ voor het eerst aangetroffen in 1551
Woordfamilie van tint
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| tintje | verkleinwoord | tint |
| tintjes | verkleinwoord meervoud | tint |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van tint zijn vastgelegd.