stoten
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈstotə(n)Betekenis
- met een korte snelle beweging (weg)duwen
Hoe spreek je stoten uit?
/ˈstotən/
Stoten bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| t | tak |
| o | boot |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Klinkt hetzelfde als stootten.
Vervoeging van stoten
stotenhele werkwoord — stietverleden tijd enkelvoud — stietenverleden tijd meervoud — gestotenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | stoot | stiet |
| jij | stoot | stiet |
| hij, zij, het | stoot | stiet |
| wij | stoten | stieten |
| jullie | stoten | stieten |
| zij | stoten | stieten |
Alle 127 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gestoten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gestoten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gestoten | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gestoten | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gestoten | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gestoten | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gestoten worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gestoten zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gestoten worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gestoten zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gestoten | verleden tijd, deelwoord |
| gestoten te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gestoten te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gestoten te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gestoten te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gestoten te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gestoten worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gestoten zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gestoten zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gestoten zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gestoten zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gestoten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gestoten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gestoten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gestoten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gestoten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gestoten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gestoten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gestoten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gestoten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gestoten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gestoten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gestoten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gestoten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gestoten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gestoten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gestoten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gestoten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| stoot | gebiedende wijs |
| stootte | verleden tijd |
| stote | aanvoegende wijs |
| stotend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gestoten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te stoten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen stoten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verouderd: stiet | verleden tijd |
| waart gestoten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gestoten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gestoten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gestoten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gestoten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gestoten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gestoten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gestoten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gestoten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gestoten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gestoten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gestoten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gestoten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gestoten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gestoten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gestoten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gestoten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gestoten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gestoten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gestoten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gestoten hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gestoten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gestoten hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gestoten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gestoten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gestoten zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gestoten zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal stoten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal stoten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal stoten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gestoten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gestoten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gestoten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gestoten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gestoten hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gestoten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gestoten hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gestoten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gestoten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gestoten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gestoten zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gestoten zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gestoten zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou stoten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou stoten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou stoten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gestoten hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gestoten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gestoten hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gestoten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gestoten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gestoten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gestoten zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gestoten zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gestoten zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden stoten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden stoten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden stoten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gestoten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gestoten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gestoten zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt stoten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gestoten hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gestoten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gestoten hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gestoten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gestoten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gestoten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gestoten zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gestoten zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gestoten zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen stoten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen stoten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen stoten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen stoten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gestoten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gestoten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gestoten zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult stoten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord stoot
Herkomst
In de betekenis van ‘een duw geven, schokken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240
Woordfamilie van stoten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gestoten | voltooid deelwoord | stoten |
| stiet | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, enkelvoud, 1e persoon | stoten |
| stieten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | stoten |
| stooten | woordvorm | stoten |
| stootte | verleden tijd | stoten |
| stootten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | stoten |
| stote | aanvoegende wijs | stoten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van stoten zijn vastgelegd.