stotteren
werkwoordBetekenis
- dezelfde lettergreep een aantal malen herhalend moeilijk uit zijn woorden komen
- van een verbrandingsmotor dat deze langzaam en onregelmatig loopt
Vervoeging van stotteren
stotterenhele werkwoord — stotterdeverleden tijd enkelvoud — stotterdenverleden tijd meervoud — gestotterdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | stotter | stotterde |
| jij | stottert | stotterde |
| hij, zij, het | stottert | stotterde |
| wij | stotteren | stotterden |
| jullie | stotteren | stotterden |
| zij | stotteren | stotterden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gestotterd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gestotterd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gestotterd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gestotterd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gestotterd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gestotterd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gestotterd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gestotterd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gestotterd | verleden tijd, deelwoord |
| gestotterd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gestotterd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gestotterd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gestotterd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gestotterd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gestotterd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gestotterd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gestotterd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gestotterd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gestotterd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gestotterd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gestotterd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gestotterd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gestotterd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gestotterd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gestotterd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gestotterd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| stotter | gebiedende wijs |
| stotterde | verleden tijd |
| stottere | aanvoegende wijs |
| stotterend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gestotterd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te stotteren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen stotteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gestotterd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gestotterd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gestotterd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal stotteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal stotteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal stotteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gestotterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gestotterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gestotterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou stotteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou stotteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou stotteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gestotterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gestotterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gestotterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden stotteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden stotteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden stotteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gestotterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt stotteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gestotterd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gestotterd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gestotterd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen stotteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen stotteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen stotteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen stotteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gestotterd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult stotteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘hakkelen’ voor het eerst aangetroffen in 1781
Woordfamilie van stotteren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gestotterd | voltooid deelwoord | stotteren |
| stotter | gebiedende wijs | stotteren |
| stotterde | verleden tijd | stotteren |
| stotterden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | stotteren |
| stottere | aanvoegende wijs | stotteren |
| stotterend | onvoltooid deelwoord | stotteren |
| stotterende | woordvorm | stotteren |
| stottert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | stotteren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van stotteren zijn vastgelegd.