Naar de inhoud

schroten

grof malen (van graan)

schroten is meer dan één woord

schroten

werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈsxrotə(n)

Betekenis

  1. grof malen (van graan)

Hoe spreek je schroten uit?

/ˈsxrotən/

Schroten bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈsxrotən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
s sok
x acht
r rood
o boot
t tak
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

werkwoord

  1. grof malen transitive

Vervoeging van schroten

schrotenhele werkwoord — schrootteverleden tijd enkelvoud — schroottenverleden tijd meervoud — geschrootvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik schroot schrootte
jij schroot schrootte
hij, zij, het schroot schrootte
wij schroten schrootten
jullie schroten schrootten
zij schroten schrootten
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben geschroot voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent geschroot voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is geschroot impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was geschroot impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd geschroot impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt geschroot impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal geschroot worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal geschroot zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou geschroot worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou geschroot zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
geschroot verleden tijd, deelwoord
geschroot te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geschroot te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geschroot te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geschroot te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
geschroot te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geschroot worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geschroot zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geschroot zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
geschroot zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
geschroot zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had geschroot voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had geschroot voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had geschroot voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden geschroot voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden geschroot voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden geschroot voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt geschroot voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb geschroot voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geschroot actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben geschroot voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geschroot voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben geschroot voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt geschroot voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geschroot voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geschroot voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is geschroot voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is geschroot voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
schroot gebiedende wijs
schrootte verleden tijd
schrote aanvoegende wijs
schrotend onvoltooid, deelwoord
te hebben geschroot actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te schroten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen schroten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart geschroot voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geschroot voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren geschroot voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geschroot voltooid, verleden tijd, derde persoon
was geschroot voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was geschroot voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was geschroot voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd geschroot enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd geschroot enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd geschroot enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden geschroot enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden geschroot enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden geschroot enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt geschroot enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word geschroot enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden geschroot enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden geschroot enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden geschroot enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt geschroot enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt geschroot enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal geschroot hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geschroot hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal geschroot hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal geschroot worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geschroot worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal geschroot zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geschroot zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal schroten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal schroten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal schroten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn geschroot voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn geschroot voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn geschroot voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt geschroot voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou geschroot hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geschroot hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geschroot hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou geschroot worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geschroot worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou geschroot worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geschroot zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geschroot zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geschroot zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou schroten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou schroten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou schroten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden geschroot hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geschroot hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geschroot hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geschroot worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden geschroot worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden geschroot worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geschroot zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geschroot zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geschroot zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden schroten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden schroten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden schroten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt geschroot hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geschroot worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geschroot zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt schroten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen geschroot hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geschroot hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geschroot hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen geschroot worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen geschroot worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen geschroot worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen geschroot zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geschroot zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geschroot zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen schroten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen schroten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen schroten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen schroten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult geschroot hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult geschroot worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult geschroot zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult schroten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord schroot

Herkomst

ww: van Duits schroten

Woordfamilie van schroten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
geschroot voltooid deelwoord schroten
geschrote woordvorm schroten
schrootte verleden tijd schroten
schrootten aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon schroten
schrote aanvoegende wijs schroten
schrotend onvoltooid deelwoord schroten
schrotende woordvorm schroten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van schroten zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over schroten

Hoe spreek je schroten uit?
De uitspraak van schroten is: /ˈsxrotə(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd. Het teken ˈ geeft de klemtoon aan: de nadruk valt op de eerste lettergreep.
Wat betekent schroten?
Schroten is een werkwoord. Het woord betekent: grof malen (van graan). Deze pagina beschrijft 2 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je schroten?
Je vervoegt schroten als volgt: de tegenwoordige tijd is schroot, de verleden tijd is schrootte en het voltooid deelwoord is geschroot. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op schroten?

Schroten rijmt op 42 woorden op -oten; stoten, promoten en aangeschoten bijvoorbeeld. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Rijmwoorden op schroten, uitspraak ˈsxrotən, de gangbaarste eerst.
Rijmwoord Lettergrepen
stoten 2
promoten 3
aangeschoten 4
boten 2
poten 2
gesloten 3
sloten 2
vergroten 3
besloten 3
aaneengesloten 5
kloten 2
koten 2
kogelstoten 4
coaten 2
aangegoten 4
aangesloten 4
aangestoten 4
autoboten 4
beschoten 3
bokkenpoten 4
buurtgenoten 4
calotten 3
coatten 2
eurozeloten 5
fractiegenoten 5
gegoten 3
geschoten 3
hazenpoten 4
kajuitmotorboten 6
kamergrootten 4
kiekenkoten 4
macrobioten 5
moten 2
ordegrootten 4
schoten 2
snoten 2
stootten 2
studentenkoten 5
televoten 4
vliegenpoten 4
Nog 2 rijmwoorden
waterschoten 4
woten 2

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord schroten is 18 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. S 2
  2. C 5
  3. H 4
  4. R 2
  5. O 1
  6. T 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 18 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

schroten levert met Wordfeud minimaal 18 en maximaal 84 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. S 2
  2. C 5
  3. H 4
  4. R 2
  5. O 1
  6. T 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 18 zonder bonus
  10. 84 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

schroten in het kort

schroten is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Welke van de twee het is, hangt af van de zin. Hierboven staan 2 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van schroten zijn 74 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort schroten bij een woordfamilie van 7 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

schroten: grof malen (van graan)
Deel schroten — standaardnederlands.nl