schroten
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈsxrotə(n)Betekenis
- grof malen (van graan)
Hoe spreek je schroten uit?
/ˈsxrotən/
Schroten bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| x | acht |
| r | rood |
| o | boot |
| t | tak |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- grof malen transitive
Vervoeging van schroten
schrotenhele werkwoord — schrootteverleden tijd enkelvoud — schroottenverleden tijd meervoud — geschrootvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | schroot | schrootte |
| jij | schroot | schrootte |
| hij, zij, het | schroot | schrootte |
| wij | schroten | schrootten |
| jullie | schroten | schrootten |
| zij | schroten | schrootten |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben geschroot | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geschroot | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is geschroot | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geschroot | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geschroot | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geschroot | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geschroot worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geschroot zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geschroot worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geschroot zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geschroot | verleden tijd, deelwoord |
| geschroot te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geschroot te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geschroot te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geschroot te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geschroot te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geschroot worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geschroot zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geschroot zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geschroot zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geschroot zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geschroot | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geschroot | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geschroot | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geschroot | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geschroot | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geschroot | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geschroot | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geschroot | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geschroot | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geschroot | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geschroot | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geschroot | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geschroot | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geschroot | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geschroot | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is geschroot | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geschroot | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| schroot | gebiedende wijs |
| schrootte | verleden tijd |
| schrote | aanvoegende wijs |
| schrotend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben geschroot | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te schroten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen schroten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geschroot | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geschroot | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geschroot | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geschroot | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geschroot | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geschroot | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geschroot | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd geschroot | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd geschroot | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd geschroot | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden geschroot | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden geschroot | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden geschroot | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt geschroot | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word geschroot | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden geschroot | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden geschroot | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden geschroot | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt geschroot | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt geschroot | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal geschroot hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geschroot hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geschroot hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal geschroot worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geschroot worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal geschroot zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geschroot zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal schroten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal schroten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal schroten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn geschroot | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geschroot | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geschroot | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geschroot | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou geschroot hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geschroot hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geschroot hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou geschroot worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geschroot worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou geschroot worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geschroot zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geschroot zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geschroot zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou schroten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou schroten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou schroten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geschroot hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geschroot hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geschroot hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geschroot worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden geschroot worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden geschroot worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geschroot zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geschroot zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geschroot zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden schroten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden schroten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden schroten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geschroot hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geschroot worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geschroot zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt schroten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geschroot hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geschroot hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geschroot hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geschroot worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen geschroot worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen geschroot worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geschroot zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geschroot zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geschroot zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen schroten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen schroten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen schroten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen schroten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geschroot hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geschroot worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geschroot zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult schroten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord schroot
Herkomst
ww: van Duits schroten
Woordfamilie van schroten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geschroot | voltooid deelwoord | schroten |
| geschrote | woordvorm | schroten |
| schrootte | verleden tijd | schroten |
| schrootten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | schroten |
| schrote | aanvoegende wijs | schroten |
| schrotend | onvoltooid deelwoord | schroten |
| schrotende | woordvorm | schroten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van schroten zijn vastgelegd.