boten
werkwoord, zelfstandig naamwoord /ˈboːtə(n/Betekenis
- kloppen, slaan
Hoe spreek je boten uit?
/ˈbotən/
Boten bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| o | boot |
| t | tak |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van boten
botenhele werkwoord — bootteverleden tijd enkelvoud — boottenverleden tijd meervoud — gebootvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | boot | bootte |
| jij | boot | bootte |
| hij, zij, het | boot | bootte |
| wij | boten | bootten |
| jullie | boten | bootten |
| zij | boten | bootten |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| boot | gebiedende wijs |
| bootte | verleden tijd |
| bote | aanvoegende wijs |
| botend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| geboot | verleden tijd, deelwoord |
| geboot te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geboot zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geboot | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geboot | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geboot | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geboot | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geboot | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geboot | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geboot | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geboot | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geboot | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geboot | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geboot | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geboot | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geboot | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geboot | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geboot | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te boten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben geboot | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen boten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal boten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal boten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal boten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal geboot hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geboot hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geboot hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou boten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou boten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou boten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou geboot hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geboot hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geboot hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden boten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden boten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden boten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden geboot hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geboot hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geboot hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt boten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt geboot hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen boten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen boten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen boten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen boten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen geboot hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geboot hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geboot hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult boten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult geboot hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord boot
Herkomst
In de betekenis van ‘slaan, kloppen’ voor het eerst aangetroffen in 1080.
Woordfamilie van boten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bote | aanvoegende wijs | boten |
| botend | onvoltooid deelwoord | boten |
| botende | woordvorm | boten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van boten zijn vastgelegd.