stoelen
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈstulə(n)Betekenis
- ~ op gebaseerd zijn op
Hoe spreek je stoelen uit?
/ˈstulən/
Stoelen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| t | tak |
| u | boek |
| l | land |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van stoelen
stoelenhele werkwoord — stoeldeverleden tijd enkelvoud — stoeldenverleden tijd meervoud — gestoeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | stoel | stoelde |
| jij | stoelt | stoelde |
| hij, zij, het | stoelt | stoelde |
| wij | stoelen | stoelden |
| jullie | stoelen | stoelden |
| zij | stoelen | stoelden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gestoeld | verleden tijd, deelwoord |
| gestoeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gestoeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gestoeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gestoeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gestoeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gestoeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gestoeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gestoeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gestoeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gestoeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gestoeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gestoeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gestoeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gestoeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gestoeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gestoeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gestoeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| stoel | gebiedende wijs |
| stoelde | verleden tijd |
| stoele | aanvoegende wijs |
| stoelend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gestoeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te stoelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen stoelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gestoeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gestoeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gestoeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal stoelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal stoelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal stoelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gestoeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gestoeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gestoeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou stoelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou stoelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou stoelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gestoeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gestoeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gestoeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden stoelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden stoelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden stoelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gestoeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt stoelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gestoeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gestoeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gestoeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen stoelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen stoelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen stoelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen stoelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gestoeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult stoelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord stoel
Woordfamilie van stoelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gestoeld | voltooid deelwoord | stoelen |
| gestoelde | woordvorm | stoelen |
| stoelde | verleden tijd | stoelen |
| stoelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | stoelen |
| stoele | aanvoegende wijs | stoelen |
| stoelend | onvoltooid deelwoord | stoelen |
| stoelende | woordvorm | stoelen |
| stoelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | stoelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van stoelen zijn vastgelegd.