tafel
zelfstandig naamwoord, werkwoord /ˈtafəɫ/Betekenis
- een meestal rechthoekig, soms rond meubelstuk met poten, bedoeld om dingen op te zetten of te leggen
- register1, lijst1, tabel
- rekenreeks
- plat stuk materiaal, plaat1, paneel, vlak
Hoe spreek je tafel uit?
/ˈtafəl/
Tafel bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| a | maan |
| f | fiets |
| ə | de |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- register[1], lijst[1], tabel
- plat stuk materiaal, plaat[1], paneel, vlak
- schilderij, in deze betekenis afgeleid van plank, plaat. Vgl. tafereel obsolete
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| [2] tafelen | meervoud |
| tafels | meervoud |
| tafeltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| tafeltjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tafelen
- gebiedende wijs van tafelen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tafelen
Vervoeging van tafel
tafelhele werkwoord
Herkomst
van Latijn tabula, in de betekenis van ‘meubelstuk’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901
Woordfamilie van tafel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| tafels | meervoud | tafel |
| tafeltje | verkleinwoord | tafel |
| tafeltjes | verkleinwoord meervoud | tafel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van tafel zijn vastgelegd.