fauteuil
zelfstandig naamwoord /fo.tœj/Betekenis
- luxe uitvoering van een stoel met een groot|groter zitvlak en leuningen
Hoe spreek je fauteuil uit?
/fotœj/
Fauteuil bestaat uit twee lettergrepen.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| f | fiets |
| o | boot |
| t | tak |
| œ | oeuvre |
| j | ja |
zelfstandig naamwoord — masculine
- luxe uitvoering van een stoel met een groter zitvlak en leuningen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| fauteuils | meervoud |
| fauteuiltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| fauteuiltjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, wat op zijn beurt een eerdere ontlening is uit het Frankisch (zie verder vouwstoel). In de betekenis van ‘leunstoel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1776
Woordfamilie van fauteuil
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| fauteuils | meervoud | fauteuil |
| fauteuiltje | verkleinwoord | fauteuil |
| fauteuiltjes | verkleinwoord meervoud | fauteuil |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van fauteuil zijn vastgelegd.