zetel
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈzetəlBetekenis
- constructie bestemd om prettig op te zitten
- Oorspronkelijke betekenis, in Nederland niet meer gangbaar
- lidmaatschap van een raad of vergadering met een beperkt aantal leden
- plaats waar een organisatie gevestigd is
- (België) nevenvestiging van een organisatie
Hoe spreek je zetel uit?
/ˈzetəl/
Zetel bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| z | zon |
| e | veel |
| t | tak |
| ə | de |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| zetels | meervoud |
| zeteltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| zeteltjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zetelen
- gebiedende wijs van zetelen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zetelen
Vervoeging van zetel
zetelhele werkwoord
Herkomst
van Middelnederlands setel, in de betekenis van ‘zitplaats’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1285
Woordfamilie van zetel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| zetels | meervoud | zetel |
| zeteltje | verkleinwoord | zetel |
| zeteltjes | verkleinwoord meervoud | zetel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zetel zijn vastgelegd.