spanwijdte
zelfstandig naamwoordBetekenis
- de afstand tussen twee uiteinden van iets in de breedte richting (met name de afstand tussen de uiteinden van de vleugels)
- de afstand tussen twee steunpunten bij een overspanning (zoals een brug of een vloer)
- het aantal mensen waaraan men direct leiding geeft
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| spanwijdten | meervoud |
| spanwijdtes | meervoud |
Herkomst
samenstelling van span en wijdte zn
Woordfamilie van spanwijdte
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| spanwijdten | meervoud | spanwijdte |
| spanwijdtes | meervoud | spanwijdte |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van spanwijdte zijn vastgelegd.