deutel
zelfstandig naamwoord ˈdøtəlBetekenis
- platte stop waarmee het bomgat midden op op de bolle kant van een vat wordt afgesloten
- spits, vierkant pennetje van eikenhout dat in een houten pen wordt geslagen, zodat die vast komt te zitten
- houten nagel
Hoe spreek je deutel uit?
/ˈdøtəl/
Deutel bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| d | dak |
| ø | deur |
| t | tak |
| ə | de |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| deutels | meervoud |
Herkomst
afgeleid van deut zn met het achtervoegsel -el
Woordfamilie van deutel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| deutels | meervoud | deutel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van deutel zijn vastgelegd.