Naar de inhoud

sleutelen

met sleutels aan een auto, motor of ander machine werken, met name door de machine uit elkaar te halen en weer in elkaar te zetten

sleutelen

werkwoord ˈsløtələ(n)

Betekenis

  1. met sleutels aan een auto, motor of ander machine werken, met name door de machine uit elkaar te halen en weer in elkaar te zetten
  2. iets trachten te verbeteren door regelmatig kleine wijzigingen aan te brengen
  3. aan partnerruil doen door de huissleutels uit te loten

Hoe spreek je sleutelen uit?

/ˈsløtələn/

Sleutelen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈsløtələn/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
s sok
l land
ø deur
t tak
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van sleutelen

sleutelenhele werkwoord — sleuteldeverleden tijd enkelvoud — sleuteldenverleden tijd meervoud — gesleuteldvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik sleutel sleutelde
jij sleutelt sleutelde
hij, zij, het sleutelt sleutelde
wij sleutelen sleutelden
jullie sleutelen sleutelden
zij sleutelen sleutelden
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
er is gesleuteld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gesleuteld impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gesleuteld impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gesleuteld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gesleuteld worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gesleuteld zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gesleuteld worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gesleuteld zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gesleuteld verleden tijd, deelwoord
gesleuteld te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gesleuteld zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gesleuteld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gesleuteld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gesleuteld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gesleuteld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gesleuteld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gesleuteld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gesleuteld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gesleuteld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gesleuteld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gesleuteld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gesleuteld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gesleuteld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gesleuteld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gesleuteld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gesleuteld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
sleutel gebiedende wijs
sleutelde verleden tijd
sleutele aanvoegende wijs
sleutelend onvoltooid, deelwoord
te hebben gesleuteld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te sleutelen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen sleutelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal gesleuteld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gesleuteld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gesleuteld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal sleutelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal sleutelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal sleutelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zou gesleuteld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gesleuteld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gesleuteld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou sleutelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou sleutelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou sleutelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gesleuteld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gesleuteld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gesleuteld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden sleutelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden sleutelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden sleutelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gesleuteld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt sleutelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gesleuteld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gesleuteld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gesleuteld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen sleutelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen sleutelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen sleutelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen sleutelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult gesleuteld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult sleutelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

Denominaal afgeleid van sleutel.

Woordfamilie van sleutelen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gesleuteld voltooid deelwoord sleutelen
sleutelde verleden tijd sleutelen
sleutelden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon sleutelen
sleutele aanvoegende wijs sleutelen
sleutelend onvoltooid deelwoord sleutelen
sleutelende woordvorm sleutelen
sleutelt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon sleutelen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van sleutelen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over sleutelen

Hoe spreek je sleutelen uit?
De uitspraak van sleutelen is: /ˈsløtələ(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd. Het teken ˈ geeft de klemtoon aan: de nadruk valt op de eerste lettergreep.
Wat betekent sleutelen?
Sleutelen is een werkwoord. Het woord betekent: met sleutels aan een auto, motor of ander machine werken, met name door de machine uit elkaar te halen en weer in elkaar te zetten. Deze pagina beschrijft 3 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je sleutelen?
Je vervoegt sleutelen als volgt: de tegenwoordige tijd is sleutel, de verleden tijd is sleutelde en het voltooid deelwoord is gesleuteld. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord sleutelen is 18 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. S 2
  2. L 3
  3. E 1
  4. U 4
  5. T 2
  6. E 1
  7. L 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 18 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

sleutelen levert met Wordfeud minimaal 16 en maximaal 66 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. S 2
  2. L 3
  3. E 1
  4. U 2
  5. T 2
  6. E 1
  7. L 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 16 zonder bonus
  11. 66 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (L) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

sleutelen in het kort

sleutelen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 3 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van sleutelen zijn 40 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort sleutelen bij een woordfamilie van 7 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

sleutelen: met sleutels aan een auto, motor of ander machine werken, met name door de machine uit elkaar te halen en weer in elkaar te zetten
Deel sleutelen — standaardnederlands.nl