montage
zelfstandig naamwoordBetekenis
- het monteren
- samenstelling van audio-visueel|audio-visuele fragmenten, iets dat monteren|gemonteerd is
- het samenstellen van audio-visuele of fysieke onderdeel|onderdelen, montage periode
zelfstandig naamwoord
- samenstelling van audiovisuele fragmenten, iets dat gemonteerd is
- het samenstellen van audio-visuele of fysieke onderdelen, montage periode
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| montages | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘het monteren’ voor het eerst aangetroffen in 1908
Woordfamilie van montage
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| montages | meervoud | montage |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van montage zijn vastgelegd.