loper
zelfstandig naamwoord ˈlopərBetekenis
- iemand die loopt of rent:
- een sleutel waarmee een hele serie verschillende sloten geopend kunnen worden
- een woord dat weliswaar in elke zin past, maar weinig zegt; passe-partout(woord)
- een schaakstuk dat zich slechts diagonaal verplaatsen mag
- een langgerekt stuk vloerbedekking:
- een tafelkleed dat als een strook op de tafel wordt gelegd
- een stuk gereedschap waarmee stoffen op een wrijfplaat fijngewreven worden
Hoe spreek je loper uit?
/ˈlopər/
Loper bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| l | land |
| o | boot |
| p | pak |
| ə | de |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- iemand die loopt of rent person
- sleutel waarmee een hele serie verschillende sloten geopend kan worden
- woord dat weliswaar in elke zin past, maar weinig zegt; passe-partout(woord)
- langgerekt stuk vloerbedekking:
- tafelkleed dat als een strook op de tafel wordt gelegd
- bovenste, ronddraaiende molensteen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| lopers | meervoud |
| lopertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| lopertjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
van Middelnederlands loper / lopere, op te vatten als naamwoord van handeling van lopen met het achtervoegsel -er
Woordfamilie van loper
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| lopers | meervoud | loper |
| lopertje | verkleinwoord | loper |
| lopertjes | verkleinwoord meervoud | loper |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van loper zijn vastgelegd.