Naar de inhoud

slapen

in een toestand verkeren waarbij de ademhaling dieper en trager verloopt, en de hartslag trager, en er minder energie wordt gebruikt

slapen is meer dan één woord

slapen

werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈslapə(n)

Betekenis

  1. in een toestand verkeren waarbij de ademhaling dieper en trager verloopt, en de hartslag trager, en er minder energie wordt gebruikt
  2. niet goed opletten, niet alert genoeg zijn
  3. in stand-by verkeren
  4. (van ledematen) tintelen nadat er enige tijd geen spieren zijn gebruikt

Hoe spreek je slapen uit?

/ˈslapən/

Slapen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈslapən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
s sok
l land
a maan
p pak
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

werkwoord

  1. tintelen nadat er enige tijd geen spieren zijn gebruikt

Vervoeging van slapen

slapenhele werkwoord — sliepverleden tijd enkelvoud — sliepenverleden tijd meervoud — geslapenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik slaap sliep
jij slaapt sliep
hij, zij, het slaapt sliep
wij slapen sliepen
jullie slapen sliepen
zij slapen sliepen
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
er is geslapen impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was geslapen impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd geslapen impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt geslapen impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal geslapen worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal geslapen zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou geslapen worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou geslapen zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
geslapen verleden tijd, deelwoord
geslapen te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geslapen zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had geslapen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had geslapen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had geslapen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden geslapen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden geslapen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden geslapen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt geslapen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb geslapen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geslapen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben geslapen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geslapen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben geslapen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt geslapen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geslapen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geslapen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
slaap gebiedende wijs
slape aanvoegende wijs
slapend onvoltooid, deelwoord
sliep verleden tijd
te hebben geslapen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te slapen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen slapen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal geslapen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geslapen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal geslapen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal slapen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal slapen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal slapen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zou geslapen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geslapen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geslapen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou slapen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou slapen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou slapen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden geslapen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geslapen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geslapen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden slapen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden slapen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden slapen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt geslapen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt slapen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen geslapen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geslapen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geslapen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen slapen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen slapen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen slapen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen slapen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult geslapen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult slapen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord slaap

Herkomst

erfwoord via Middelnederlands slapen van Oudnederlands slapan, in de betekenis van ‘in slaap, rust zijn’ aangetroffen vanaf 901

Woordfamilie van slapen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
geslapen voltooid deelwoord slapen
slaapt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon slapen
slape aanvoegende wijs slapen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van slapen zijn vastgelegd.

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over slapen

Hoe spreek ik slapen uit?
Zo spreek je slapen uit: /ˈslapə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van slapen?
Slapen is een werkwoord. De betekenis is: in een toestand verkeren waarbij de ademhaling dieper en trager verloopt, en de hartslag trager, en er minder energie wordt gebruikt. In totaal staan er 5 betekenissen.
Hoe vervoeg ik slapen?
Zo vervoeg je slapen zo: de tegenwoordige tijd is slaap, de verleden tijd is sliep en het voltooid deelwoord is geslapen. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op slapen?

Er staan 14 woorden in dit woordenboek die op slapen rijmen, waaronder wapen, gapen en aanvalswapen. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Rijmwoorden op slapen, uitspraak ˈslapən, de gangbaarste eerst.
Rijmwoord Lettergrepen
wapen 2
gapen 2
aanvalswapen 4
japen 2
apegapen 4
verslapen 3
kernwapen 4
overslapen 4
apen 2
geslapen 3
grapen 2
schapen 2
wijfjesapen 4
zijdeapen 4

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord slapen is 11 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. S 2
  2. L 3
  3. A 1
  4. P 3
  5. E 1
  6. N 1
  7. 11 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

slapen levert met Wordfeud minimaal 12 en maximaal 60 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. S 2
  2. L 3
  3. A 1
  4. P 4
  5. E 1
  6. N 1
  7. 12 zonder bonus
  8. 60 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

slapen telt 6 letters, waarvan 6 verschillende. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 13.213 woorden van 6 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

slapen in het kort

slapen is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Wat het is, hangt af van de zin. Hierboven vind je 5 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van slapen staan er 41 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort slapen bij een woordfamilie van 3 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

slapen: in een toestand verkeren waarbij de ademhaling dieper en trager verloopt, en de hartslag trager, en er minder energie wordt gebruikt
Deel slapen — standaardnederlands.nl