Naar de inhoud

ontspannen

in een minder gespannen staat brengen

ontspannen is meer dan één woord

ontspannen

werkwoord, bijvoeglijk naamwoord ɔntˈspɑnə(n)

Betekenis

  1. in een minder gespannen staat brengen
  2. trachten de spanningen van de dag weg te laten vloeien
  3. in een minder gespannen staat

Hoe spreek je ontspannen uit?

/ɔntˈspɑnən/

Ontspannen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.

De tekens in /ɔntˈspɑnən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
ɔ bot
n nek
t tak
s sok
p pak
ɑ bad
ə de
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van ontspannen

ontspannenhele werkwoord — ontspandeverleden tijd enkelvoud — ontspandenverleden tijd meervoud — ontspannenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik ontspan ontspande
jij ontspant ontspande
hij, zij, het ontspant ontspande
wij ontspannen ontspanden
jullie ontspannen ontspanden
zij ontspannen ontspanden
Alle 97 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
er is ontspannen impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was ontspannen impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd ontspannen impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt ontspannen impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal ontspannen worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal ontspannen zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou ontspannen worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou ontspannen zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had ontspannen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had ontspannen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had ontspannen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden ontspannen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden ontspannen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden ontspannen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt ontspannen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb ontspannen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben ontspannen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben ontspannen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben ontspannen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben ontspannen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt ontspannen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft ontspannen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft ontspannen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
ontspan gebiedende wijs
ontspan me eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
ontspan u/je , ontspant je gebiedende wijs
ontspande verleden tijd
ontspande je tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
ontspande me eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud
ontspande u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
ontspande u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
ontspande zich derde persoon, verleden tijd, enkelvoud
ontspande zich/u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
ontspande zich/u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
ontspanden je tweede persoon, verleden tijd, meervoud
ontspanden ons eerste persoon, verleden tijd, meervoud
ontspanden zich derde persoon, verleden tijd, meervoud
ontspanne aanvoegende wijs
ontspanne zich aanvoegende wijs
ontspannen verleden tijd, deelwoord
ontspannen je tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
ontspannen ons eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
ontspannen te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
ontspannen zich derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
ontspannen zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
ontspannend onvoltooid, deelwoord
ontspant je tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
ontspant u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
ontspant u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
ontspant zich derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
ontspant zich/u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
ontspant zich/u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
te hebben ontspannen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te ontspannen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen ontspannen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal me ontspannen eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal ontspannen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal ontspannen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal ontspannen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal ontspannen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal ontspannen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal ontspannen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal zich ontspannen derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal, zult je ontspannen tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zich ontspannen hebben verleden tijd
zich ontspannend onvoltooid, deelwoord
zou ontspannen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou ontspannen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou ontspannen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou ontspannen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou ontspannen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou ontspannen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden ontspannen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden ontspannen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden ontspannen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden ontspannen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden ontspannen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden ontspannen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt ontspannen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt ontspannen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen je ontspannen tweede persoon, toekomende tijd, meervoud
zullen ons ontspannen eerste persoon, toekomende tijd, meervoud
zullen ontspannen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen ontspannen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen ontspannen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen ontspannen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen ontspannen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen ontspannen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen ontspannen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen zich ontspannen derde persoon, toekomende tijd, meervoud
zult ontspannen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult ontspannen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult u ontspannen tweede persoon
zult u ontspannen tweede persoon, toekomende tijd, meervoud
zult zich/u ontspannen tweede persoon
zult zich/u ontspannen tweede persoon, toekomende tijd, meervoud

Woordvorm

  • voltooid deelwoord van ontspannen

Vervoeging van ontspannen

ontspannenhele werkwoord — ontspandeverleden tijd enkelvoud — ontspandenverleden tijd meervoud — ontspannenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik ontspan ontspande
jij ontspant ontspande
hij, zij, het ontspant ontspande
wij ontspannen ontspanden
jullie ontspannen ontspanden
zij ontspannen ontspanden
Alle 97 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
er is ontspannen impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was ontspannen impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd ontspannen impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt ontspannen impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal ontspannen worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal ontspannen zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou ontspannen worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou ontspannen zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had ontspannen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had ontspannen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had ontspannen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden ontspannen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden ontspannen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden ontspannen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt ontspannen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb ontspannen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben ontspannen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben ontspannen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben ontspannen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben ontspannen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt ontspannen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft ontspannen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft ontspannen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
ontspan gebiedende wijs
ontspan me eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
ontspan u/je , ontspant je gebiedende wijs
ontspande verleden tijd
ontspande je tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
ontspande me eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud
ontspande u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
ontspande u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
ontspande zich derde persoon, verleden tijd, enkelvoud
ontspande zich/u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
ontspande zich/u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
ontspanden je tweede persoon, verleden tijd, meervoud
ontspanden ons eerste persoon, verleden tijd, meervoud
ontspanden zich derde persoon, verleden tijd, meervoud
ontspanne aanvoegende wijs
ontspanne zich aanvoegende wijs
ontspannen verleden tijd, deelwoord
ontspannen je tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
ontspannen ons eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
ontspannen te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
ontspannen zich derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
ontspannen zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
ontspannend onvoltooid, deelwoord
ontspant je tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
ontspant u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
ontspant u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
ontspant zich derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
ontspant zich/u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
ontspant zich/u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
te hebben ontspannen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te ontspannen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen ontspannen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal me ontspannen eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal ontspannen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal ontspannen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal ontspannen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal ontspannen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal ontspannen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal ontspannen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal zich ontspannen derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal, zult je ontspannen tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zich ontspannen hebben verleden tijd
zich ontspannend onvoltooid, deelwoord
zou ontspannen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou ontspannen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou ontspannen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou ontspannen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou ontspannen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou ontspannen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden ontspannen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden ontspannen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden ontspannen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden ontspannen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden ontspannen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden ontspannen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt ontspannen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt ontspannen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen je ontspannen tweede persoon, toekomende tijd, meervoud
zullen ons ontspannen eerste persoon, toekomende tijd, meervoud
zullen ontspannen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen ontspannen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen ontspannen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen ontspannen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen ontspannen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen ontspannen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen ontspannen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen zich ontspannen derde persoon, toekomende tijd, meervoud
zult ontspannen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult ontspannen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult u ontspannen tweede persoon
zult u ontspannen tweede persoon, toekomende tijd, meervoud
zult zich/u ontspannen tweede persoon
zult zich/u ontspannen tweede persoon, toekomende tijd, meervoud

Herkomst

[1, 2] afgeleid van spannen met het voorvoegsel ont-.

Woordfamilie van ontspannen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
ontspan gebiedende wijs ontspannen
ontspande verleden tijd ontspannen
ontspanden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon ontspannen
ontspanne aanvoegende wijs ontspannen
ontspannener woordvorm ontspannen
ontspannens woordvorm ontspannen
ontspannenst woordvorm ontspannen
ontspant aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon ontspannen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ontspannen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over ontspannen

Hoe spreek ik ontspannen uit?
Zo spreek je ontspannen uit: /ɔntˈspɑnə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft.
Wat is de betekenis van ontspannen?
Ontspannen is een werkwoord. De betekenis is: in een minder gespannen staat brengen. In totaal staan er 3 betekenissen.
Hoe vervoeg ik ontspannen?
Zo vervoeg je ontspannen zo: de tegenwoordige tijd is ontspan, de verleden tijd is ontspande en het voltooid deelwoord is ontspannen. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op ontspannen?

Ontspannen rijmt op 24 woorden op -annen; verbannen, gespannen en spannen bijvoorbeeld. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Rijmwoorden op ontspannen, uitspraak ɔntˈspɑnən, de gangbaarste eerst.
Rijmwoord Lettergrepen
verbannen 3
gespannen 3
spannen 2
mannen 2
overspannen 4
wannen 2
bemannen 3
verspannen 3
aangespannen 4
aanvalsplannen 4
beschermingsplannen 5
bosjesmannen 4
christenmannen 4
douanemannen 5
jollenmannen 4
kerkbannen 4
kleppermannen 4
knaagdiermannen 4
lannen 2
pannen 2
stikstofplannen 4
uitvoeringsplannen 5
uitwerkingsplannen 5
wetenschapsmannen 5

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord ontspannen is 14 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. N 1
  3. T 2
  4. S 2
  5. P 3
  6. A 1
  7. N 1
  8. N 1
  9. E 1
  10. N 1
  11. 14 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

ontspannen levert met Wordfeud minimaal 15 en maximaal 69 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. N 1
  3. T 2
  4. S 2
  5. P 4
  6. A 1
  7. N 1
  8. N 1
  9. E 1
  10. N 1
  11. 15 zonder bonus
  12. 69 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

ontspannen in het kort

ontspannen is zowel werkwoord als bijvoeglijk naamwoord. Wat het is, hangt af van de zin. Hierboven vind je 3 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van ontspannen staan er 67 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort ontspannen bij een woordfamilie van 8 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

ontspannen: in een minder gespannen staat brengen
Deel ontspannen — standaardnederlands.nl