Naar de inhoud

uitslapen

's ochtends langer slapen dan normaal

uitslapen

werkwoord ˈœytslapə(n)

Betekenis

  1. 's ochtends langer slapen dan normaal

Hoe spreek je uitslapen uit?

/ˈœytslapən/

Uitslapen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈœytslapən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
œy huis
t tak
s sok
l land
a maan
p pak
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van uitslapen

uitslapenhele werkwoord — sliep uitverleden tijd enkelvoud — sliepen uitverleden tijd meervoud — uitgeslapenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik slaap uit sliep uit
jij slaapt uit sliep uit
hij, zij, het slaapt uit sliep uit
wij slapen uit sliepen uit
jullie slapen uit sliepen uit
zij slapen uit sliepen uit
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben uitgeslapen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent uitgeslapen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is uitgeslapen impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was uitgeslapen impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd uitgeslapen impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt uitgeslapen impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal uitgeslapen worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal uitgeslapen zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou uitgeslapen worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou uitgeslapen zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had uitgeslapen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had uitgeslapen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had uitgeslapen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden uitgeslapen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden uitgeslapen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden uitgeslapen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt uitgeslapen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb uitgeslapen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgeslapen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben uitgeslapen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgeslapen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben uitgeslapen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt uitgeslapen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgeslapen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgeslapen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is uitgeslapen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is uitgeslapen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
slaap uit gebiedende wijs
sliep uit verleden tijd
te hebben uitgeslapen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen uitslapen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit te slapen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uit te zullen slapen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit zal slapen bijzin, toekomende tijd
uit zou slapen bijzin, voorwaardelijk
uit zouden slapen bijzin, voorwaardelijk
uit zoudt slapen bijzin, voorwaardelijk
uit zullen slapen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uit zullen slapen bijzin, toekomende tijd
uit zult slapen bijzin, toekomende tijd
uitgeslapen verleden tijd, deelwoord
uitgeslapen te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgeslapen te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgeslapen te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgeslapen te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgeslapen te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgeslapen worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgeslapen zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgeslapen zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgeslapen zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgeslapen zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitslaap bijzin, tegenwoordige tijd
uitslaapt bijzin, tegenwoordige tijd
uitslapend onvoltooid, deelwoord
uitsliep bijzin, verleden tijd
uitsliepen bijzin, verleden tijd
waart uitgeslapen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgeslapen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren uitgeslapen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgeslapen voltooid, verleden tijd, derde persoon
was uitgeslapen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was uitgeslapen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was uitgeslapen voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd uitgeslapen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd uitgeslapen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd uitgeslapen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden uitgeslapen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden uitgeslapen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden uitgeslapen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt uitgeslapen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word uitgeslapen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden uitgeslapen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden uitgeslapen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden uitgeslapen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt uitgeslapen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt uitgeslapen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal uitgeslapen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgeslapen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal uitgeslapen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitgeslapen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgeslapen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal uitgeslapen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgeslapen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitslapen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal uitslapen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal uitslapen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal uitslapen bijzin, toekomende tijd
zijn uitgeslapen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn uitgeslapen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn uitgeslapen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt uitgeslapen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou uitgeslapen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgeslapen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgeslapen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitgeslapen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgeslapen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou uitgeslapen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgeslapen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgeslapen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgeslapen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitslapen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou uitslapen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou uitslapen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou uitslapen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) uitslapen uit zou(dt) slapen bijzin, voorwaardelijk
zouden uitgeslapen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgeslapen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgeslapen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgeslapen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitgeslapen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitgeslapen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgeslapen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgeslapen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgeslapen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitslapen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitslapen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitslapen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden uitslapen bijzin, voorwaardelijk
zoudt uitgeslapen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitgeslapen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitgeslapen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitslapen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt uitslapen bijzin, voorwaardelijk
zullen uitgeslapen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgeslapen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgeslapen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitgeslapen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitgeslapen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitgeslapen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitgeslapen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgeslapen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgeslapen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitslapen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen uitslapen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitslapen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitslapen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen uitslapen bijzin, toekomende tijd
zult uitgeslapen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van uit bw en slapen ww

Woordfamilie van uitslapen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
slaap uit gebiedende wijs uitslapen
slaapt uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon uitslapen
slape uit woordvorm uitslapen
slapen uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon uitslapen
uitgeslapen voltooid deelwoord uitslapen
uitslaap subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitslapen
uitslaapt subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitslapen
uitslape with-subordinate-clause uitslapen
uitslapend onvoltooid deelwoord uitslapen
uitslapende woordvorm uitslapen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitslapen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over uitslapen

Hoe spreek je uitslapen uit?
De uitspraak van uitslapen is: /ˈœytslapə(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd. Het teken ˈ geeft de klemtoon aan: de nadruk valt op de eerste lettergreep.
Wat betekent uitslapen?
Uitslapen is een werkwoord. Het woord betekent: 's ochtends langer slapen dan normaal.
Hoe vervoeg je uitslapen?
Je vervoegt uitslapen als volgt: het voltooid deelwoord is uitgeslapen. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord uitslapen is 18 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. U 4
  2. I 1
  3. T 2
  4. S 2
  5. L 3
  6. A 1
  7. P 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 18 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

uitslapen levert met Wordfeud minimaal 18 en maximaal 78 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. U 2
  2. I 2
  3. T 2
  4. S 2
  5. L 3
  6. A 1
  7. P 4
  8. E 1
  9. N 1
  10. 18 zonder bonus
  11. 78 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

uitslapen in het kort

uitslapen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van uitslapen zijn 88 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort uitslapen bij een woordfamilie van 10 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

uitslapen: 's ochtends langer slapen dan normaal
Deel uitslapen — standaardnederlands.nl