wapen
zelfstandig naamwoord, werkwoord /ˈʋaːpən/Betekenis
- een werktuig van geweld
- een wapenschild
- een onderscheidingsteken van een familie
Hoe spreek je wapen uit?
/ˈwapən/
Wapen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| w | quiz |
| a | maan |
| p | pak |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| wapenen | meervoud |
| wapens | meervoud |
| wapentje | verkleinwoord, enkelvoud |
| wapentjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wapenen
- gebiedende wijs van wapenen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wapenen
Vervoeging van wapen
wapenhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘strijdwerktuig’ voor het eerst aangetroffen in 1237
Woordfamilie van wapen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| wapens | meervoud | wapen |
| wapentje | verkleinwoord | wapen |
| wapentjes | verkleinwoord meervoud | wapen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van wapen zijn vastgelegd.