gapen
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈɣapə(n)Betekenis
- heel diep inademen met de mond ver open, moeilijk om bewust tegen te gaan
- met open mond vol verwondering ergens naar kijken
- wijd openstaan
Hoe spreek je gapen uit?
/ˈxapən/
Gapen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| x | acht |
| a | maan |
| p | pak |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- een groot gat/grote holte vertonen; wijd openstaan figuratively
Vervoeging van gapen
gapenhele werkwoord — gaapteverleden tijd enkelvoud — gaaptenverleden tijd meervoud — gegaaptvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | gaap | gaapte |
| jij | gaapt | gaapte |
| hij, zij, het | gaapt | gaapte |
| wij | gapen | gaapten |
| jullie | gapen | gaapten |
| zij | gapen | gaapten |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gaap | gebiedende wijs |
| gaapte | verleden tijd |
| gape | aanvoegende wijs |
| gapend | onvoltooid, deelwoord |
| gegaapt | verleden tijd, deelwoord |
| gegaapt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gegaapt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gegaapt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gegaapt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gegaapt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gegaapt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gegaapt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gegaapt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gegaapt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gegaapt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gegaapt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gegaapt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gegaapt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gegaapt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gegaapt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gegaapt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gegaapt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te gapen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gegaapt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen gapen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gapen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal gapen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal gapen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gegaapt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gegaapt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gegaapt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou gapen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou gapen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou gapen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gegaapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gegaapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gegaapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gapen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gapen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gapen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gegaapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gegaapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gegaapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt gapen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gegaapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen gapen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen gapen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gapen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gapen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gegaapt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gegaapt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gegaapt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult gapen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gegaapt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord gaap
Herkomst
In de betekenis van ‘de mond wijd openen’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Woordfamilie van gapen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gaapt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | gapen |
| gaapte | verleden tijd | gapen |
| gaapten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | gapen |
| gape | aanvoegende wijs | gapen |
| gegaapt | voltooid deelwoord | gapen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van gapen zijn vastgelegd.