overslapen
werkwoord /ovərˈslapə(n)/Betekenis
- niet op tijd wakker worden
Hoe spreek je overslapen uit?
/ovərˈslapən/
Overslapen bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| o | boot |
| v | vis |
| ə | de |
| r | rood |
| s | sok |
| l | land |
| a | maan |
| p | pak |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van overslapen
overslapenhele werkwoord
Woordvorm
- voltooid deelwoord van overslapen
Vervoeging van overslapen
overslapenhele werkwoord — overslapenvoltooid deelwoord
Alle 36 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| overslaap me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| overslaap u/je , overslaapt je | gebiedende wijs |
| overslaapt je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| overslaapt u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| overslaapt u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| overslaapt zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| overslaapt zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| overslaapt zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| overslape zich | aanvoegende wijs |
| overslapen | verleden tijd, deelwoord |
| overslapen je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| overslapen ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| overslapen zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| oversliep | verleden tijd |
| oversliep je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| oversliep me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| oversliep u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| oversliep u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| oversliep zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| oversliep zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| oversliep zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| oversliepen je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| oversliepen ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| oversliepen zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| zal me overslapen | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal zich overslapen | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je overslapen | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich overslapen hebben | verleden tijd |
| zich overslapend | onvoltooid, deelwoord |
| zullen je overslapen | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen ons overslapen | eerste persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen zich overslapen | derde persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult u overslapen | tweede persoon |
| zult u overslapen | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult zich/u overslapen | tweede persoon |
| zult zich/u overslapen | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
Herkomst
samenstelling van over bw en slapen ww
Woordfamilie van overslapen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| overslaap | woordvorm | overslapen |
| overslaapt | woordvorm | overslapen |
| overslape | woordvorm | overslapen |
| overslapend | woordvorm | overslapen |
| overslapende | woordvorm | overslapen |
| oversliep | verleden tijd | overslapen |
| oversliepen | woordvorm | overslapen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van overslapen zijn vastgelegd.