verslapen
werkwoord vərˈslapə(n)Betekenis
- onvrijwillig langer dan gepland blijven slapen
Hoe spreek je verslapen uit?
/vərˈslapən/
Verslapen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| ə | de |
| r | rood |
| s | sok |
| l | land |
| a | maan |
| p | pak |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- te lang blijven slapen met als gevolg dat men een afspraak mist reflexive
Vervoeging van verslapen
verslapenhele werkwoord — versliepverleden tijd enkelvoud — versliepenverleden tijd meervoud — verslapenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | verslaap | versliep |
| jij | verslaapt | versliep |
| hij, zij, het | verslaapt | versliep |
| wij | verslapen | versliepen |
| jullie | verslapen | versliepen |
| zij | verslapen | versliepen |
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben verslapen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent verslapen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is verslapen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was verslapen | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd verslapen | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt verslapen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal verslapen worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal verslapen zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou verslapen worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou verslapen zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had verslapen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had verslapen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had verslapen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden verslapen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden verslapen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden verslapen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt verslapen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb verslapen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verslapen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben verslapen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verslapen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben verslapen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt verslapen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verslapen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verslapen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is verslapen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is verslapen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben verslapen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te verslapen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen verslapen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verslaap | gebiedende wijs |
| verslaap me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| verslaap u/je , verslaapt je | gebiedende wijs |
| verslaapt je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| verslaapt u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verslaapt u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verslaapt zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| verslaapt zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verslaapt zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verslape | aanvoegende wijs |
| verslape zich | aanvoegende wijs |
| verslapen | verleden tijd, deelwoord |
| verslapen je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verslapen ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verslapen te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verslapen te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verslapen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verslapen te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verslapen te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verslapen worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verslapen zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verslapen zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verslapen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verslapen zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verslapen zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verslapend | onvoltooid, deelwoord |
| versliep | verleden tijd |
| versliep je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| versliep me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| versliep u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| versliep u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| versliep zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| versliep zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| versliep zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| versliepen je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| versliepen ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| versliepen zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| waart verslapen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verslapen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren verslapen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verslapen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was verslapen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was verslapen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was verslapen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd verslapen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd verslapen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd verslapen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden verslapen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden verslapen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden verslapen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt verslapen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word verslapen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden verslapen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden verslapen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden verslapen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt verslapen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt verslapen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal me verslapen | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal verslapen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal verslapen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal verslapen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal verslapen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verslapen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal verslapen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verslapen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verslapen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal verslapen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verslapen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal zich verslapen | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je verslapen | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich verslapen hebben | verleden tijd |
| zich verslapend | onvoltooid, deelwoord |
| zijn verslapen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn verslapen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn verslapen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt verslapen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou verslapen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou verslapen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou verslapen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou verslapen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verslapen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verslapen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verslapen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verslapen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou verslapen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verslapen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verslapen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verslapen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verslapen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verslapen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verslapen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden verslapen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verslapen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verslapen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verslapen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verslapen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verslapen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verslapen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verslapen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verslapen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt verslapen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt verslapen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verslapen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verslapen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen je verslapen | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen ons verslapen | eerste persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen verslapen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen verslapen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
Herkomst
Afgeleid van slapen met het voorvoegsel ver-.
Woordfamilie van verslapen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verslaap | gebiedende wijs | verslapen |
| verslaapt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | verslapen |
| verslape | aanvoegende wijs | verslapen |
| verslapend | onvoltooid deelwoord | verslapen |
| verslapende | woordvorm | verslapen |
| versliep | verleden tijd | verslapen |
| versliepen | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | verslapen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verslapen zijn vastgelegd.