japen
werkwoord, zelfstandig naamwoord /'japə(n)/Betekenis
- heftig uithalen met een mes of ander scherp voorwerp
Hoe spreek je japen uit?
/ˈjapən/
Japen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| j | ja |
| a | maan |
| p | pak |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van japen
japenhele werkwoord — jaapteverleden tijd enkelvoud — jaaptenverleden tijd meervoud — gejaaptvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | jaap | jaapte |
| jij | jaapt | jaapte |
| hij, zij, het | jaapt | jaapte |
| wij | japen | jaapten |
| jullie | japen | jaapten |
| zij | japen | jaapten |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gejaapt | verleden tijd, deelwoord |
| gejaapt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gejaapt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gejaapt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gejaapt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gejaapt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gejaapt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gejaapt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gejaapt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gejaapt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gejaapt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gejaapt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gejaapt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gejaapt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gejaapt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gejaapt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gejaapt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gejaapt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| jaap | gebiedende wijs |
| jaapte | verleden tijd |
| jape | aanvoegende wijs |
| japend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gejaapt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te japen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen japen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gejaapt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gejaapt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gejaapt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal japen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal japen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal japen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gejaapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gejaapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gejaapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou japen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou japen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou japen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gejaapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gejaapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gejaapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden japen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden japen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden japen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gejaapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt japen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gejaapt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gejaapt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gejaapt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen japen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen japen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen japen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen japen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gejaapt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult japen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord jaap
Woordfamilie van japen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gejaapt | voltooid deelwoord | japen |
| gejaapte | woordvorm | japen |
| jaapt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | japen |
| jaapte | verleden tijd | japen |
| jaapten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | japen |
| jape | aanvoegende wijs | japen |
| japend | onvoltooid deelwoord | japen |
| japende | woordvorm | japen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van japen zijn vastgelegd.