slaap
zelfstandig naamwoord, werkwoord /slap/Betekenis
- periode van inactiviteit waarbij het lichaam tot rust komt
- behoefte aan slaap
- zijvlak van het hoofd tussen oog en oor
- tot korstjes opdrogende afscheiding aan de oogleden
- slapen
Hoe spreek je slaap uit?
/slap/
Slaap bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| l | land |
| a | maan |
| p | pak |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| slaapje | verkleinwoord |
| slaapjes | verkleinwoord, enkelvoud |
| slapen | enkelvoud |
| slapie | verkleinwoord |
| slapies | verkleinwoord, enkelvoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van slapen
- gebiedende wijs van slapen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van slapen
Vervoeging van slaap
slaaphele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘deel van zijvlak van het hoofd’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Woordfamilie van slaap
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| slaapje | verkleinwoord | slaap |
| slaapjes | verkleinwoord | slaap |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van slaap zijn vastgelegd.