finish
zelfstandig naamwoord, werkwoord /ˈfinɪʃ/Betekenis
- het passeren van de eindstreep van een racewedstrijd
- de eindstreep: een lijn die deelnemers van racewedstrijden moeten passeren om de wedstrijd te volbrengen
- het eindpunt van een handeling
- afwerking (vaak een laklaag)
- afronden
- afspelen
- voltooien
Hoe spreek je finish uit?
/ˈfinɪʃ/
Finish bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| f | fiets |
| i | riet |
| n | nek |
| ɪ | pit |
| ʃ | sjaal |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| finishes | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van finishen
- gebiedende wijs van finishen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van finishen
Vervoeging van finish
finishhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘laatste deel van een wedstrijdbaan, eindstreep’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1897
Woordfamilie van finish
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| finishes | meervoud | finish |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van finish zijn vastgelegd.