reisdag
zelfstandig naamwoordBetekenis
- een dag die men besteedt aan reizen
- meeteendheid om de duur van een reis aan te geven
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| reisdagen | meervoud |
| reisdagje | verkleinwoord, enkelvoud |
| reisdagjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van reis zn en dag zn
Woordfamilie van reisdag
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| reisdagen | meervoud | reisdag |
| reisdagje | verkleinwoord | reisdag |
| reisdagjes | verkleinwoord meervoud | reisdag |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van reisdag zijn vastgelegd.