piste
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- met zand of zaagsel bestrooid middendeel in een circus waar de artiesten en de dieren optreden
- renbaan voor wielrenners
- renbaan voor atletiekwedstrijden
- parcours bij het skiën
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| pisten | meervoud |
| pistes | meervoud |
Woordvorm
- enkelvoud verleden tijd van pissen
Vervoeging van piste
pistehele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘baan in manege e.d.’ voor het eerst aangetroffen in 1832
Woordfamilie van piste
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| pistes | meervoud | piste |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van piste zijn vastgelegd.