ontkolen
werkwoordBetekenis
- ontdoen van koolstof
Vervoeging van ontkolen
ontkolenhele werkwoord — ontkooldeverleden tijd enkelvoud — ontkooldenverleden tijd meervoud — ontkooldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | ontkool | ontkoolde |
| jij | ontkoolt | ontkoolde |
| hij, zij, het | ontkoolt | ontkoolde |
| wij | ontkolen | ontkoolden |
| jullie | ontkolen | ontkoolden |
| zij | ontkolen | ontkoolden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben ontkoold | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent ontkoold | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is ontkoold | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was ontkoold | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd ontkoold | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt ontkoold | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal ontkoold worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal ontkoold zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou ontkoold worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou ontkoold zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had ontkoold | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had ontkoold | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had ontkoold | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden ontkoold | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden ontkoold | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden ontkoold | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt ontkoold | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb ontkoold | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ontkoold | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben ontkoold | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ontkoold | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben ontkoold | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt ontkoold | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ontkoold | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ontkoold | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is ontkoold | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is ontkoold | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| ontkole | aanvoegende wijs |
| ontkolend | onvoltooid, deelwoord |
| ontkool | gebiedende wijs |
| ontkoold | verleden tijd, deelwoord |
| ontkoold te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| ontkoold te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| ontkoold te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontkoold te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontkoold te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontkoold worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| ontkoold zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| ontkoold zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontkoold zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontkoold zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontkoolde | verleden tijd |
| te hebben ontkoold | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te ontkolen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen ontkolen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart ontkoold | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ontkoold | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren ontkoold | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ontkoold | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was ontkoold | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was ontkoold | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was ontkoold | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd ontkoold | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd ontkoold | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd ontkoold | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden ontkoold | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden ontkoold | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden ontkoold | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt ontkoold | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word ontkoold | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden ontkoold | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden ontkoold | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden ontkoold | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt ontkoold | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt ontkoold | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal ontkolen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal ontkolen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal ontkolen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal ontkoold hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontkoold hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal ontkoold hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal ontkoold worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontkoold worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal ontkoold zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontkoold zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn ontkoold | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn ontkoold | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn ontkoold | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt ontkoold | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou ontkolen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou ontkolen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou ontkolen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou ontkoold hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontkoold hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontkoold hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou ontkoold worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontkoold worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou ontkoold worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontkoold zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontkoold zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontkoold zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontkolen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ontkolen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ontkolen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden ontkoold hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ontkoold hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ontkoold hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontkoold worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ontkoold worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ontkoold worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontkoold zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ontkoold zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ontkoold zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt ontkolen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt ontkoold hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ontkoold worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ontkoold zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen ontkolen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen ontkolen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ontkolen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ontkolen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen ontkoold hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ontkoold hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ontkoold hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ontkoold worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ontkoold worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ontkoold worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ontkoold zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ontkoold zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ontkoold zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult ontkolen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult ontkoold hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult ontkoold worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult ontkoold zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van kool met het voorvoegsel ont- en met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van ontkolen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ontkole | aanvoegende wijs | ontkolen |
| ontkolend | onvoltooid deelwoord | ontkolen |
| ontkolende | woordvorm | ontkolen |
| ontkool | gebiedende wijs | ontkolen |
| ontkoold | voltooid deelwoord | ontkolen |
| ontkoolde | verleden tijd | ontkolen |
| ontkoolden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | ontkolen |
| ontkoolt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | ontkolen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ontkolen zijn vastgelegd.