komen
werkwoord ˈkomə(n)Betekenis
- bewegen van verder weg naar dichterbij
- een orgasme hebben, klaarkomen
- Het werkwoord kan worden gepreciseerd door toevoeging van een een voltooid deelwoord of een infinitief
- Het deelwoord of de infinitief kan 'aan-' als prefix krijgen
Hoe spreek je komen uit?
/ˈkomən/
Komen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| o | boot |
| m | maan |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- worden, bedijgen copulative
Vervoeging van komen
komenhele werkwoord — kwamverleden tijd enkelvoud — kwamenverleden tijd meervoud — gekomenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | kom | kwam |
| jij | komt | kwaamt |
| hij, zij, het | komt | kwam |
| wij | komen | kwamen |
| jullie | komen | kwamen |
| zij | komen | kwamen |
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben gekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| gekomen | verleden tijd, deelwoord |
| gekomen te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gekomen zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| is gekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| kom | gebiedende wijs |
| kome | aanvoegende wijs |
| komend | onvoltooid, deelwoord |
| kwam | verleden tijd |
| te komen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn gekomen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen komen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gekomen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gekomen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gekomen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gekomen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gekomen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gekomen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gekomen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal gekomen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gekomen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gekomen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal komen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal komen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal komen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gekomen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn gekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gekomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gekomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gekomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou komen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou komen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou komen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gekomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gekomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gekomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden komen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden komen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden komen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gekomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt komen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gekomen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gekomen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gekomen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen komen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen komen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen komen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen komen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gekomen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult komen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
erfwoord in de betekenis van ‘een plaats bereiken’ voor het eerst aangetroffen in 901
Woordfamilie van komen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gekomen | voltooid deelwoord | komen |
| kome | aanvoegende wijs | komen |
| komt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | komen |
| kwaamt | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, enkelvoud, 2e persoon | komen |
| kwam | verleden tijd | komen |
| kwamen | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | komen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van komen zijn vastgelegd.