neer
bijwoord, zelfstandig naamwoord /nɪːr/Betekenis
- in benedenwaartse richting
- neerzetten: hij zette zijn bierglas neer op de tafel
- stroming die tegen de hoofdstroom ingaat waardoor draaikolken ontstaan
- naam voor één van de zes quarks waaruit elementaire deeltjes zijn opgebouwd
- deel van boerderij met vlakke bodem waar graan wordt gedorst
- middelen van bestaan
- licht, lamp
Hoe spreek je neer uit?
/nɪr/
Neer bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| n | nek |
| ɪ | pit |
| r | rood |
bijwoord
- bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord.
zelfstandig naamwoord
- naam voor een van de zes quarks waaruit elementaire deeltjes zijn opgebouwd
Herkomst
In de betekenis van ‘bijwoord van richting: naar beneden’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901
Woordfamilie van neer
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| neertjes | meervoud | neer |
| neren | meervoud | neer |
| nerot | meervoud | neer |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van neer zijn vastgelegd.