Naar de inhoud

neerkrabbelen

slordig schrijven

neerkrabbelen

werkwoord

Betekenis

  1. slordig schrijven

Vervoeging van neerkrabbelen

neerkrabbelenhele werkwoord — krabbelde neerverleden tijd enkelvoud — krabbelden neerverleden tijd meervoud — neergekrabbeldvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik krabbel neer krabbelde neer
jij krabbelt neer krabbelde neer
hij, zij, het krabbelt neer krabbelde neer
wij krabbelen neer krabbelden neer
jullie krabbelen neer krabbelden neer
zij krabbelen neer krabbelden neer
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben neergekrabbeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent neergekrabbeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is neergekrabbeld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was neergekrabbeld impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd neergekrabbeld impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt neergekrabbeld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal neergekrabbeld worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal neergekrabbeld zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou neergekrabbeld worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou neergekrabbeld zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had neergekrabbeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had neergekrabbeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had neergekrabbeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden neergekrabbeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden neergekrabbeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden neergekrabbeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt neergekrabbeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb neergekrabbeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben neergekrabbeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben neergekrabbeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben neergekrabbeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben neergekrabbeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt neergekrabbeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft neergekrabbeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft neergekrabbeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is neergekrabbeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is neergekrabbeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
krabbel neer gebiedende wijs
krabbelde neer verleden tijd
neer te krabbelen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
neer te zullen krabbelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
neer zal krabbelen bijzin, toekomende tijd
neer zou krabbelen bijzin, voorwaardelijk
neer zouden krabbelen bijzin, voorwaardelijk
neer zoudt krabbelen bijzin, voorwaardelijk
neer zullen krabbelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
neer zullen krabbelen bijzin, toekomende tijd
neer zult krabbelen bijzin, toekomende tijd
neergekrabbeld verleden tijd, deelwoord
neergekrabbeld te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
neergekrabbeld te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
neergekrabbeld te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
neergekrabbeld te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
neergekrabbeld te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
neergekrabbeld worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
neergekrabbeld zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
neergekrabbeld zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
neergekrabbeld zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
neergekrabbeld zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
neerkrabbel bijzin, tegenwoordige tijd
neerkrabbelde bijzin, verleden tijd
neerkrabbelden bijzin, verleden tijd
neerkrabbelend onvoltooid, deelwoord
neerkrabbelt bijzin, tegenwoordige tijd
te hebben neergekrabbeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen neerkrabbelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart neergekrabbeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren neergekrabbeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren neergekrabbeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren neergekrabbeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
was neergekrabbeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was neergekrabbeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was neergekrabbeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd neergekrabbeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd neergekrabbeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd neergekrabbeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden neergekrabbeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden neergekrabbeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden neergekrabbeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt neergekrabbeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word neergekrabbeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden neergekrabbeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden neergekrabbeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden neergekrabbeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt neergekrabbeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt neergekrabbeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal neergekrabbeld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal neergekrabbeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal neergekrabbeld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal neergekrabbeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal neergekrabbeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal neergekrabbeld zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal neergekrabbeld zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal neerkrabbelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal neerkrabbelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal neerkrabbelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal neerkrabbelen bijzin, toekomende tijd
zijn neergekrabbeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn neergekrabbeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn neergekrabbeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt neergekrabbeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou neergekrabbeld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou neergekrabbeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou neergekrabbeld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou neergekrabbeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou neergekrabbeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou neergekrabbeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou neergekrabbeld zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou neergekrabbeld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou neergekrabbeld zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou neerkrabbelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou neerkrabbelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou neerkrabbelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou neerkrabbelen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) neerkrabbelen neer zou(dt) krabbelen bijzin, voorwaardelijk
zouden neergekrabbeld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden neergekrabbeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden neergekrabbeld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden neergekrabbeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden neergekrabbeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden neergekrabbeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden neergekrabbeld zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden neergekrabbeld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden neergekrabbeld zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden neerkrabbelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden neerkrabbelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden neerkrabbelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden neerkrabbelen bijzin, voorwaardelijk
zoudt neergekrabbeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt neergekrabbeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt neergekrabbeld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt neerkrabbelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt neerkrabbelen bijzin, voorwaardelijk
zullen neergekrabbeld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen neergekrabbeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen neergekrabbeld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen neergekrabbeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen neergekrabbeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen neergekrabbeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen neergekrabbeld zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen neergekrabbeld zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen neergekrabbeld zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen neerkrabbelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen neerkrabbelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen neerkrabbelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen neerkrabbelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen neerkrabbelen bijzin, toekomende tijd
zult neergekrabbeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van neer en krabbelen

Woordfamilie van neerkrabbelen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
krabbel neer gebiedende wijs neerkrabbelen
krabbelde neer verleden tijd neerkrabbelen
krabbelden neer aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon neerkrabbelen
krabbele neer woordvorm neerkrabbelen
krabbelen neer aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon neerkrabbelen
krabbelt neer aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon neerkrabbelen
neergekrabbeld voltooid deelwoord neerkrabbelen
neergekrabbelde woordvorm neerkrabbelen
neerkrabbel subordinate-clause, tegenwoordige tijd neerkrabbelen
neerkrabbelde subordinate-clause, verleden tijd neerkrabbelen
neerkrabbelden subordinate-clause, verleden tijd neerkrabbelen
neerkrabbele with-subordinate-clause neerkrabbelen
neerkrabbelend onvoltooid deelwoord neerkrabbelen
neerkrabbelende woordvorm neerkrabbelen
neerkrabbelt subordinate-clause, tegenwoordige tijd neerkrabbelen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van neerkrabbelen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over neerkrabbelen

Wat is de betekenis van neerkrabbelen?
Neerkrabbelen is een werkwoord. De betekenis is: slordig schrijven.
Hoe vervoeg ik neerkrabbelen?
Zo vervoeg je neerkrabbelen zo: het voltooid deelwoord is neergekrabbeld. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord neerkrabbelen is 23 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. N 1
  2. E 1
  3. E 1
  4. R 2
  5. K 3
  6. R 2
  7. A 1
  8. B 3
  9. B 3
  10. E 1
  11. L 3
  12. E 1
  13. N 1
  14. 23 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

neerkrabbelen levert met Wordfeud minimaal 25 en maximaal 99 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. N 1
  2. E 1
  3. E 1
  4. R 2
  5. K 3
  6. R 2
  7. A 1
  8. B 4
  9. B 4
  10. E 1
  11. L 3
  12. E 1
  13. N 1
  14. 25 zonder bonus
  15. 99 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (B) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

neerkrabbelen in het kort

neerkrabbelen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van neerkrabbelen staan er 88 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort neerkrabbelen bij een woordfamilie van 15 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

neerkrabbelen: slordig schrijven
Deel neerkrabbelen — standaardnederlands.nl