Naar de inhoud

neerbuigen

in benedenwaartse richting buigen

neerbuigen

werkwoord

Betekenis

  1. in benedenwaartse richting buigen
  2. tweede betekenisomschrijving
  3. enz.

Vervoeging van neerbuigen

neerbuigenhele werkwoord — boog neerverleden tijd enkelvoud — bogen neerverleden tijd meervoud — neergebogenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik buig neer boog neer
jij buigt neer boog neer
hij, zij, het buigt neer boog neer
wij buigen neer bogen neer
jullie buigen neer bogen neer
zij buigen neer bogen neer
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
boog neer verleden tijd
buig neer gebiedende wijs
ev. gebiedende wijs
had neergebogen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had neergebogen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had neergebogen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden neergebogen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden neergebogen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden neergebogen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt neergebogen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb neergebogen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben neergebogen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben neergebogen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben neergebogen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben neergebogen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt neergebogen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft neergebogen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft neergebogen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
neer te buigen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
neer te zullen buigen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
neer zal buigen bijzin, toekomende tijd
neer zou buigen bijzin, voorwaardelijk
neer zouden buigen bijzin, voorwaardelijk
neer zoudt buigen bijzin, voorwaardelijk
neer zullen buigen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
neer zullen buigen bijzin, toekomende tijd
neer zult buigen bijzin, toekomende tijd
neerbogen bijzin, verleden tijd
neerboog bijzin, verleden tijd
neerboogt bijzin, verleden tijd
neerbuig bijzin, tegenwoordige tijd
neerbuigend onvoltooid, deelwoord
neerbuigt bijzin, tegenwoordige tijd
neergebogen verleden tijd, deelwoord
neergebogen te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
neergebogen zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
te hebben neergebogen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen neerbuigen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal neerbuigen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal neerbuigen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal neerbuigen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal neerbuigen bijzin, toekomende tijd
zal neergebogen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal neergebogen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal neergebogen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zou neerbuigen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou neerbuigen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou neerbuigen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou neerbuigen bijzin, voorwaardelijk
zou neergebogen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou neergebogen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou neergebogen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou(dt) neerbuigen neer zou(dt) buigen bijzin, voorwaardelijk
zouden neerbuigen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden neerbuigen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden neerbuigen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden neerbuigen bijzin, voorwaardelijk
zouden neergebogen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden neergebogen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden neergebogen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt neerbuigen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt neerbuigen bijzin, voorwaardelijk
zoudt neergebogen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen neerbuigen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen neerbuigen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen neerbuigen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen neerbuigen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen neerbuigen bijzin, toekomende tijd
zullen neergebogen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen neergebogen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen neergebogen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult neerbuigen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult neerbuigen bijzin, toekomende tijd
zult neergebogen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult/zal neerbuigen neer zult/zal buigen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van neer en buigen

Woordfamilie van neerbuigen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
bogen neer aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon neerbuigen
boog neer verleden tijd neerbuigen
buig neer gebiedende wijs neerbuigen
buige neer woordvorm neerbuigen
buigen neer aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon neerbuigen
buigt neer aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon neerbuigen
neerbogen subordinate-clause, verleden tijd neerbuigen
neerboog subordinate-clause, verleden tijd neerbuigen
neerbuig subordinate-clause, tegenwoordige tijd neerbuigen
neerbuige with-subordinate-clause neerbuigen
neerbuigt subordinate-clause, tegenwoordige tijd neerbuigen
neergebogen voltooid deelwoord neerbuigen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van neerbuigen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over neerbuigen

Wat is de betekenis van neerbuigen?
Neerbuigen is een werkwoord. De betekenis is: in benedenwaartse richting buigen. In totaal staan er 3 betekenissen.
Hoe vervoeg ik neerbuigen?
Zo vervoeg je neerbuigen zo: het voltooid deelwoord is neergebogen. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord neerbuigen is 18 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. N 1
  2. E 1
  3. E 1
  4. R 2
  5. B 3
  6. U 4
  7. I 1
  8. G 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 18 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

neerbuigen levert met Wordfeud minimaal 18 en maximaal 78 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. N 1
  2. E 1
  3. E 1
  4. R 2
  5. B 4
  6. U 2
  7. I 2
  8. G 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 18 zonder bonus
  12. 78 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (B) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

neerbuigen in het kort

neerbuigen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 3 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van neerbuigen staan er 47 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort neerbuigen bij een woordfamilie van 12 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

neerbuigen: in benedenwaartse richting buigen
Deel neerbuigen — standaardnederlands.nl