neerploffen
werkwoordBetekenis
- gaan zitten door zijn gewicht te laten vallen
- met een plof doen vallen
Vervoeging van neerploffen
neerploffenhele werkwoord — plofte neerverleden tijd enkelvoud — ploften neerverleden tijd meervoud — neergeploftvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | plof neer | plofte neer |
| jij | ploft neer | plofte neer |
| hij, zij, het | ploft neer | plofte neer |
| wij | ploffen neer | ploften neer |
| jullie | ploffen neer | ploften neer |
| zij | ploffen neer | ploften neer |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben neergeploft | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent neergeploft | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is neergeploft | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was neergeploft | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd neergeploft | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt neergeploft | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal neergeploft worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal neergeploft zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou neergeploft worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou neergeploft zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had neergeploft | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had neergeploft | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had neergeploft | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden neergeploft | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden neergeploft | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden neergeploft | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt neergeploft | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb neergeploft | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben neergeploft | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben neergeploft | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben neergeploft | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben neergeploft | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt neergeploft | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft neergeploft | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft neergeploft | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is neergeploft | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is neergeploft | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| neer te ploffen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| neer te zullen ploffen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| neer zal ploffen | bijzin, toekomende tijd |
| neer zou ploffen | bijzin, voorwaardelijk |
| neer zouden ploffen | bijzin, voorwaardelijk |
| neer zoudt ploffen | bijzin, voorwaardelijk |
| neer zullen ploffen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| neer zullen ploffen | bijzin, toekomende tijd |
| neer zult ploffen | bijzin, toekomende tijd |
| neergeploft | verleden tijd, deelwoord |
| neergeploft te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| neergeploft te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| neergeploft te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| neergeploft te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| neergeploft te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| neergeploft worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| neergeploft zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| neergeploft zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| neergeploft zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| neergeploft zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| neerplof | bijzin, tegenwoordige tijd |
| neerploffend | onvoltooid, deelwoord |
| neerploft | bijzin, tegenwoordige tijd |
| neerplofte | bijzin, verleden tijd |
| neerploften | bijzin, verleden tijd |
| plof neer | gebiedende wijs |
| plofte neer | verleden tijd |
| te hebben neergeploft | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen neerploffen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart neergeploft | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren neergeploft | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren neergeploft | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren neergeploft | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was neergeploft | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was neergeploft | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was neergeploft | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd neergeploft | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd neergeploft | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd neergeploft | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden neergeploft | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden neergeploft | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden neergeploft | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt neergeploft | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word neergeploft | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden neergeploft | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden neergeploft | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden neergeploft | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt neergeploft | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt neergeploft | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal neergeploft hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal neergeploft hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal neergeploft hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal neergeploft worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal neergeploft worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal neergeploft zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal neergeploft zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal neerploffen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal neerploffen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal neerploffen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal neerploffen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn neergeploft | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn neergeploft | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn neergeploft | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt neergeploft | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou neergeploft hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou neergeploft hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou neergeploft hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou neergeploft worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou neergeploft worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou neergeploft worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou neergeploft zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou neergeploft zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou neergeploft zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou neerploffen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou neerploffen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou neerploffen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou neerploffen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) neerploffen neer zou(dt) ploffen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden neergeploft hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden neergeploft hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden neergeploft hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden neergeploft worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden neergeploft worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden neergeploft worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden neergeploft zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden neergeploft zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden neergeploft zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden neerploffen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden neerploffen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden neerploffen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden neerploffen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt neergeploft hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt neergeploft worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt neergeploft zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt neerploffen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt neerploffen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen neergeploft hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen neergeploft hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen neergeploft hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen neergeploft worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen neergeploft worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen neergeploft worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen neergeploft zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen neergeploft zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen neergeploft zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen neerploffen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen neerploffen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen neerploffen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen neerploffen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen neerploffen | bijzin, toekomende tijd |
| zult neergeploft hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van neer en ploffen
Woordfamilie van neerploffen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| neergeploft | voltooid deelwoord | neerploffen |
| neergeplofte | woordvorm | neerploffen |
| neerplof | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | neerploffen |
| neerploffe | with-subordinate-clause | neerploffen |
| neerploffend | onvoltooid deelwoord | neerploffen |
| neerploffende | woordvorm | neerploffen |
| neerploft | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | neerploffen |
| neerplofte | subordinate-clause, verleden tijd | neerploffen |
| neerploften | subordinate-clause, verleden tijd | neerploffen |
| plof neer | gebiedende wijs | neerploffen |
| ploffe neer | woordvorm | neerploffen |
| ploffen neer | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | neerploffen |
| ploft neer | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | neerploffen |
| plofte neer | verleden tijd | neerploffen |
| ploften neer | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | neerploffen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van neerploffen zijn vastgelegd.