Naar de inhoud

neerschieten

door te schieten op de grond doen belanden

neerschieten

werkwoord

Betekenis

  1. door te schieten op de grond doen belanden

Vervoeging van neerschieten

neerschietenhele werkwoord — schoot neerverleden tijd enkelvoud — schoten neerverleden tijd meervoud — neergeschotenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik schiet neer schoot neer
jij schiet neer schoot neer
hij, zij, het schiet neer schoot neer
wij schieten neer schoten neer
jullie schieten neer schoten neer
zij schieten neer schoten neer
Alle 144 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben neergeschoten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent neergeschoten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is neergeschoten impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was neergeschoten impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd neergeschoten impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt neergeschoten impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal neergeschoten worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal neergeschoten zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou neergeschoten worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou neergeschoten zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had neergeschoten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had neergeschoten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had neergeschoten voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden neergeschoten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden neergeschoten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden neergeschoten voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt neergeschoten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb neergeschoten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben neergeschoten actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben neergeschoten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben neergeschoten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben neergeschoten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt neergeschoten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft neergeschoten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft neergeschoten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is neergeschoten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is neergeschoten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
neer te schieten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
neer te zullen schieten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
neer zal schieten bijzin, toekomende tijd
neer zou schieten bijzin, voorwaardelijk
neer zouden schieten bijzin, voorwaardelijk
neer zoudt schieten bijzin, voorwaardelijk
neer zullen schieten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
neer zullen schieten bijzin, toekomende tijd
neer zult schieten bijzin, toekomende tijd
neergeschoten verleden tijd, deelwoord
neergeschoten te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
neergeschoten te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
neergeschoten te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
neergeschoten te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
neergeschoten te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
neergeschoten worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
neergeschoten zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
neergeschoten zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
neergeschoten zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
neergeschoten zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
neerschiet bijzin, tegenwoordige tijd
neerschietend onvoltooid, deelwoord
neerschoot bijzin, verleden tijd
neerschoten bijzin, verleden tijd
schiet neer gebiedende wijs
schoot neer verleden tijd
te hebben neergeschoten actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen neerschieten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart neergeschoten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren neergeschoten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren neergeschoten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren neergeschoten voltooid, verleden tijd, derde persoon
was neergeschoten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was neergeschoten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was neergeschoten voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd neergeschoten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd neergeschoten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd neergeschoten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden neergeschoten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden neergeschoten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden neergeschoten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt neergeschoten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word neergeschoten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden neergeschoten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden neergeschoten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden neergeschoten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt neergeschoten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt neergeschoten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal neergeschoten hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal neergeschoten hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal neergeschoten hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal neergeschoten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal neergeschoten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal neergeschoten zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal neergeschoten zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal neerschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal neerschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal neerschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal neerschieten bijzin, toekomende tijd
zijn neergeschoten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn neergeschoten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn neergeschoten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt neergeschoten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou neergeschoten hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou neergeschoten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou neergeschoten hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou neergeschoten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou neergeschoten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou neergeschoten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou neergeschoten zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou neergeschoten zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou neergeschoten zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou neerschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou neerschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou neerschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou neerschieten bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) neerschieten neer zou(dt) schieten bijzin, voorwaardelijk
zouden neergeschoten hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden neergeschoten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden neergeschoten hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden neergeschoten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden neergeschoten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden neergeschoten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden neergeschoten zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden neergeschoten zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden neergeschoten zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden neerschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden neerschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden neerschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden neerschieten bijzin, voorwaardelijk
zoudt neergeschoten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt neergeschoten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt neergeschoten zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt neerschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt neerschieten bijzin, voorwaardelijk
zullen neergeschoten hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen neergeschoten hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen neergeschoten hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen neergeschoten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen neergeschoten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen neergeschoten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen neergeschoten zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen neergeschoten zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen neergeschoten zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen neerschieten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen neerschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen neerschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen neerschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen neerschieten bijzin, toekomende tijd
zult neergeschoten hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult neergeschoten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van neer en schieten

Woordfamilie van neerschieten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
neergeschoten voltooid deelwoord neerschieten
neerschiet subordinate-clause, tegenwoordige tijd neerschieten
neerschiete with-subordinate-clause neerschieten
neerschietend onvoltooid deelwoord neerschieten
neerschietende woordvorm neerschieten
neerschoot subordinate-clause, verleden tijd neerschieten
neerschoten subordinate-clause, verleden tijd neerschieten
schiet neer gebiedende wijs neerschieten
schiete neer woordvorm neerschieten
schieten neer aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon neerschieten
schoot neer verleden tijd neerschieten
schoten neer aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon neerschieten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van neerschieten zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over neerschieten

Wat is de betekenis van neerschieten?
Neerschieten is een werkwoord. De betekenis is: door te schieten op de grond doen belanden.
Hoe vervoeg ik neerschieten?
Zo vervoeg je neerschieten zo: het voltooid deelwoord is neergeschoten. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord neerschieten is 22 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. N 1
  2. E 1
  3. E 1
  4. R 2
  5. S 2
  6. C 5
  7. H 4
  8. I 1
  9. E 1
  10. T 2
  11. E 1
  12. N 1
  13. 22 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

neerschieten levert met Wordfeud minimaal 23 en maximaal 99 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. N 1
  2. E 1
  3. E 1
  4. R 2
  5. S 2
  6. C 5
  7. H 4
  8. I 2
  9. E 1
  10. T 2
  11. E 1
  12. N 1
  13. 23 zonder bonus
  14. 99 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

neerschieten in het kort

neerschieten staat in dit woordenboek als werkwoord. Van neerschieten staan er 86 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort neerschieten bij een woordfamilie van 12 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

neerschieten: door te schieten op de grond doen belanden
Deel neerschieten — standaardnederlands.nl