Naar de inhoud

neerzetten

iets op een lagere plek plaatsen

neerzetten

werkwoord ˈnerzɛtə(n)

Betekenis

  1. iets op een lagere plek plaatsen
  2. overtuigend in kort bestek een persoon of type vertolken

Hoe spreek je neerzetten uit?

/ˈnerzɛtən/

Neerzetten bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈnerzɛtən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
n nek
e veel
r rood
z zon
ɛ bed
t tak
ə de
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

werkwoord

  1. een prestatie behalen transitive

Vervoeging van neerzetten

neerzettenhele werkwoord — zette neerverleden tijd enkelvoud — zetten neerverleden tijd meervoud — neergezetvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik zet neer zette neer
jij zet neer zette neer
hij, zij, het zet neer zette neer
wij zetten neer zetten neer
jullie zetten neer zetten neer
zij zetten neer zetten neer
Alle 143 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben neergezet voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent neergezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is neergezet impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was neergezet impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd neergezet impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt neergezet impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal neergezet worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal neergezet zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou neergezet worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou neergezet zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had neergezet voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had neergezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had neergezet voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden neergezet voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden neergezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden neergezet voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt neergezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb neergezet voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben neergezet actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben neergezet voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben neergezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben neergezet voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt neergezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft neergezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft neergezet voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is neergezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is neergezet voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
neer te zetten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
neer te zullen zetten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
neer zal zetten bijzin, toekomende tijd
neer zou zetten bijzin, voorwaardelijk
neer zouden zetten bijzin, voorwaardelijk
neer zoudt zetten bijzin, voorwaardelijk
neer zullen zetten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
neer zullen zetten bijzin, toekomende tijd
neer zult zetten bijzin, toekomende tijd
neergezet verleden tijd, deelwoord
neergezet te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
neergezet te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
neergezet te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
neergezet te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
neergezet te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
neergezet worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
neergezet zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
neergezet zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
neergezet zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
neergezet zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
neerzet bijzin, tegenwoordige tijd
neerzette bijzin, verleden tijd
neerzettend onvoltooid, deelwoord
te hebben neergezet actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen neerzetten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart neergezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren neergezet voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren neergezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren neergezet voltooid, verleden tijd, derde persoon
was neergezet voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was neergezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was neergezet voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd neergezet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd neergezet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd neergezet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden neergezet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden neergezet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden neergezet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt neergezet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word neergezet enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden neergezet enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden neergezet enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden neergezet enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt neergezet enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt neergezet enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal neergezet hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal neergezet hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal neergezet hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal neergezet worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal neergezet worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal neergezet zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal neergezet zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal neerzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal neerzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal neerzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal neerzetten bijzin, toekomende tijd
zet neer gebiedende wijs
zette neer verleden tijd
zijn neergezet voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn neergezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn neergezet voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt neergezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou neergezet hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou neergezet hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou neergezet hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou neergezet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou neergezet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou neergezet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou neergezet zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou neergezet zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou neergezet zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou neerzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou neerzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou neerzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou neerzetten bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) neerzetten neer zou(dt) zetten bijzin, voorwaardelijk
zouden neergezet hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden neergezet hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden neergezet hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden neergezet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden neergezet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden neergezet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden neergezet zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden neergezet zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden neergezet zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden neerzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden neerzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden neerzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden neerzetten bijzin, voorwaardelijk
zoudt neergezet hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt neergezet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt neergezet zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt neerzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt neerzetten bijzin, voorwaardelijk
zullen neergezet hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen neergezet hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen neergezet hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen neergezet worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen neergezet worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen neergezet worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen neergezet zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen neergezet zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen neergezet zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen neerzetten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen neerzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen neerzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen neerzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen neerzetten bijzin, toekomende tijd
zult neergezet hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult neergezet worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult neergezet zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud verleden tijd van neerzetten

Vervoeging van neerzetten

neerzettenhele werkwoord — zette neerverleden tijd enkelvoud — zetten neerverleden tijd meervoud — neergezetvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik zet neer zette neer
jij zet neer zette neer
hij, zij, het zet neer zette neer
wij zetten neer zetten neer
jullie zetten neer zetten neer
zij zetten neer zetten neer
Alle 143 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben neergezet voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent neergezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is neergezet impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was neergezet impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd neergezet impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt neergezet impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal neergezet worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal neergezet zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou neergezet worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou neergezet zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had neergezet voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had neergezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had neergezet voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden neergezet voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden neergezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden neergezet voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt neergezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb neergezet voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben neergezet actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben neergezet voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben neergezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben neergezet voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt neergezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft neergezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft neergezet voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is neergezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is neergezet voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
neer te zetten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
neer te zullen zetten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
neer zal zetten bijzin, toekomende tijd
neer zou zetten bijzin, voorwaardelijk
neer zouden zetten bijzin, voorwaardelijk
neer zoudt zetten bijzin, voorwaardelijk
neer zullen zetten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
neer zullen zetten bijzin, toekomende tijd
neer zult zetten bijzin, toekomende tijd
neergezet verleden tijd, deelwoord
neergezet te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
neergezet te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
neergezet te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
neergezet te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
neergezet te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
neergezet worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
neergezet zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
neergezet zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
neergezet zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
neergezet zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
neerzet bijzin, tegenwoordige tijd
neerzette bijzin, verleden tijd
neerzettend onvoltooid, deelwoord
te hebben neergezet actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen neerzetten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart neergezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren neergezet voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren neergezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren neergezet voltooid, verleden tijd, derde persoon
was neergezet voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was neergezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was neergezet voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd neergezet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd neergezet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd neergezet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden neergezet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden neergezet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden neergezet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt neergezet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word neergezet enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden neergezet enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden neergezet enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden neergezet enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt neergezet enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt neergezet enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal neergezet hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal neergezet hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal neergezet hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal neergezet worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal neergezet worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal neergezet zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal neergezet zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal neerzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal neerzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal neerzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal neerzetten bijzin, toekomende tijd
zet neer gebiedende wijs
zette neer verleden tijd
zijn neergezet voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn neergezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn neergezet voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt neergezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou neergezet hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou neergezet hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou neergezet hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou neergezet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou neergezet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou neergezet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou neergezet zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou neergezet zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou neergezet zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou neerzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou neerzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou neerzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou neerzetten bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) neerzetten neer zou(dt) zetten bijzin, voorwaardelijk
zouden neergezet hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden neergezet hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden neergezet hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden neergezet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden neergezet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden neergezet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden neergezet zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden neergezet zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden neergezet zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden neerzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden neerzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden neerzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden neerzetten bijzin, voorwaardelijk
zoudt neergezet hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt neergezet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt neergezet zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt neerzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt neerzetten bijzin, voorwaardelijk
zullen neergezet hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen neergezet hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen neergezet hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen neergezet worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen neergezet worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen neergezet worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen neergezet zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen neergezet zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen neergezet zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen neerzetten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen neerzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen neerzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen neerzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen neerzetten bijzin, toekomende tijd
zult neergezet hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult neergezet worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult neergezet zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van neer en zetten

Woordfamilie van neerzetten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
neergezet voltooid deelwoord neerzetten
neergezette woordvorm neerzetten
neerzet subordinate-clause, tegenwoordige tijd neerzetten
neerzette subordinate-clause, verleden tijd neerzetten
neerzettend onvoltooid deelwoord neerzetten
neerzettende woordvorm neerzetten
zet neer gebiedende wijs neerzetten
zette neer verleden tijd neerzetten
zetten neer aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon neerzetten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van neerzetten zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over neerzetten

Hoe spreek ik neerzetten uit?
Zo spreek je neerzetten uit: /ˈnerzɛtə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van neerzetten?
Neerzetten is een werkwoord. De betekenis is: iets op een lagere plek plaatsen. In totaal staan er 3 betekenissen.
Hoe vervoeg ik neerzetten?
Zo vervoeg je neerzetten zo: het voltooid deelwoord is neergezet. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord neerzetten is 16 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. N 1
  2. E 1
  3. E 1
  4. R 2
  5. Z 4
  6. E 1
  7. T 2
  8. T 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 16 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

neerzetten levert met Wordfeud minimaal 17 en maximaal 81 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. N 1
  2. E 1
  3. E 1
  4. R 2
  5. Z 5
  6. E 1
  7. T 2
  8. T 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 17 zonder bonus
  12. 81 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (Z) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

neerzetten in het kort

neerzetten staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 3 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van neerzetten staan er 84 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort neerzetten bij een woordfamilie van 9 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

neerzetten: iets op een lagere plek plaatsen
Deel neerzetten — standaardnederlands.nl