neerzetten
werkwoord ˈnerzɛtə(n)Betekenis
- iets op een lagere plek plaatsen
- overtuigend in kort bestek een persoon of type vertolken
Hoe spreek je neerzetten uit?
/ˈnerzɛtən/
Neerzetten bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| n | nek |
| e | veel |
| r | rood |
| z | zon |
| ɛ | bed |
| t | tak |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- een prestatie behalen transitive
Vervoeging van neerzetten
neerzettenhele werkwoord — zette neerverleden tijd enkelvoud — zetten neerverleden tijd meervoud — neergezetvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zet neer | zette neer |
| jij | zet neer | zette neer |
| hij, zij, het | zet neer | zette neer |
| wij | zetten neer | zetten neer |
| jullie | zetten neer | zetten neer |
| zij | zetten neer | zetten neer |
Alle 143 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben neergezet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent neergezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is neergezet | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was neergezet | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd neergezet | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt neergezet | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal neergezet worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal neergezet zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou neergezet worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou neergezet zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had neergezet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had neergezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had neergezet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden neergezet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden neergezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden neergezet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt neergezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb neergezet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben neergezet | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben neergezet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben neergezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben neergezet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt neergezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft neergezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft neergezet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is neergezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is neergezet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| neer te zetten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| neer te zullen zetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| neer zal zetten | bijzin, toekomende tijd |
| neer zou zetten | bijzin, voorwaardelijk |
| neer zouden zetten | bijzin, voorwaardelijk |
| neer zoudt zetten | bijzin, voorwaardelijk |
| neer zullen zetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| neer zullen zetten | bijzin, toekomende tijd |
| neer zult zetten | bijzin, toekomende tijd |
| neergezet | verleden tijd, deelwoord |
| neergezet te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| neergezet te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| neergezet te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| neergezet te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| neergezet te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| neergezet worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| neergezet zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| neergezet zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| neergezet zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| neergezet zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| neerzet | bijzin, tegenwoordige tijd |
| neerzette | bijzin, verleden tijd |
| neerzettend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben neergezet | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen neerzetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart neergezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren neergezet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren neergezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren neergezet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was neergezet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was neergezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was neergezet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd neergezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd neergezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd neergezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden neergezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden neergezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden neergezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt neergezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word neergezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden neergezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden neergezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden neergezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt neergezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt neergezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal neergezet hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal neergezet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal neergezet hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal neergezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal neergezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal neergezet zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal neergezet zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal neerzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal neerzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal neerzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal neerzetten | bijzin, toekomende tijd |
| zet neer | gebiedende wijs |
| zette neer | verleden tijd |
| zijn neergezet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn neergezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn neergezet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt neergezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou neergezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou neergezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou neergezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou neergezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou neergezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou neergezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou neergezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou neergezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou neergezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou neerzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou neerzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou neerzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou neerzetten | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) neerzetten neer zou(dt) zetten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden neergezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden neergezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden neergezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden neergezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden neergezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden neergezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden neergezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden neergezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden neergezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden neerzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden neerzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden neerzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden neerzetten | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt neergezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt neergezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt neergezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt neerzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt neerzetten | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen neergezet hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen neergezet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen neergezet hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen neergezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen neergezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen neergezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen neergezet zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen neergezet zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen neergezet zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen neerzetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen neerzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen neerzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen neerzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen neerzetten | bijzin, toekomende tijd |
| zult neergezet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult neergezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult neergezet zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud verleden tijd van neerzetten
Vervoeging van neerzetten
neerzettenhele werkwoord — zette neerverleden tijd enkelvoud — zetten neerverleden tijd meervoud — neergezetvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zet neer | zette neer |
| jij | zet neer | zette neer |
| hij, zij, het | zet neer | zette neer |
| wij | zetten neer | zetten neer |
| jullie | zetten neer | zetten neer |
| zij | zetten neer | zetten neer |
Alle 143 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben neergezet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent neergezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is neergezet | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was neergezet | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd neergezet | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt neergezet | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal neergezet worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal neergezet zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou neergezet worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou neergezet zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had neergezet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had neergezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had neergezet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden neergezet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden neergezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden neergezet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt neergezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb neergezet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben neergezet | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben neergezet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben neergezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben neergezet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt neergezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft neergezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft neergezet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is neergezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is neergezet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| neer te zetten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| neer te zullen zetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| neer zal zetten | bijzin, toekomende tijd |
| neer zou zetten | bijzin, voorwaardelijk |
| neer zouden zetten | bijzin, voorwaardelijk |
| neer zoudt zetten | bijzin, voorwaardelijk |
| neer zullen zetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| neer zullen zetten | bijzin, toekomende tijd |
| neer zult zetten | bijzin, toekomende tijd |
| neergezet | verleden tijd, deelwoord |
| neergezet te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| neergezet te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| neergezet te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| neergezet te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| neergezet te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| neergezet worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| neergezet zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| neergezet zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| neergezet zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| neergezet zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| neerzet | bijzin, tegenwoordige tijd |
| neerzette | bijzin, verleden tijd |
| neerzettend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben neergezet | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen neerzetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart neergezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren neergezet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren neergezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren neergezet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was neergezet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was neergezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was neergezet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd neergezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd neergezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd neergezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden neergezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden neergezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden neergezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt neergezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word neergezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden neergezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden neergezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden neergezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt neergezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt neergezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal neergezet hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal neergezet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal neergezet hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal neergezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal neergezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal neergezet zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal neergezet zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal neerzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal neerzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal neerzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal neerzetten | bijzin, toekomende tijd |
| zet neer | gebiedende wijs |
| zette neer | verleden tijd |
| zijn neergezet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn neergezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn neergezet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt neergezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou neergezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou neergezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou neergezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou neergezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou neergezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou neergezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou neergezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou neergezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou neergezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou neerzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou neerzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou neerzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou neerzetten | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) neerzetten neer zou(dt) zetten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden neergezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden neergezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden neergezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden neergezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden neergezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden neergezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden neergezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden neergezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden neergezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden neerzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden neerzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden neerzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden neerzetten | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt neergezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt neergezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt neergezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt neerzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt neerzetten | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen neergezet hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen neergezet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen neergezet hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen neergezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen neergezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen neergezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen neergezet zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen neergezet zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen neergezet zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen neerzetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen neerzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen neerzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen neerzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen neerzetten | bijzin, toekomende tijd |
| zult neergezet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult neergezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult neergezet zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van neer en zetten
Woordfamilie van neerzetten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| neergezet | voltooid deelwoord | neerzetten |
| neergezette | woordvorm | neerzetten |
| neerzet | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | neerzetten |
| neerzette | subordinate-clause, verleden tijd | neerzetten |
| neerzettend | onvoltooid deelwoord | neerzetten |
| neerzettende | woordvorm | neerzetten |
| zet neer | gebiedende wijs | neerzetten |
| zette neer | verleden tijd | neerzetten |
| zetten neer | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | neerzetten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van neerzetten zijn vastgelegd.