Naar de inhoud

neerleggen

op iets leggen of plaatsen

neerleggen

werkwoord /nerlɛgə(n)/

Betekenis

  1. op iets leggen of plaatsen
  2. afstand doen van iets
  3. doodschieten
  4. een bedrag betalen
  5. zich ~ bij het verzet tegen iets opgeven

Hoe spreek je neerleggen uit?

/nerlɛgən/

Neerleggen bestaat uit drie lettergrepen.

De tekens in /nerlɛgən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
n nek
e veel
r rood
l land
ɛ bed
g goal
ə de

werkwoord

  1. zich ~ naast een regel, advies of beslissing bewust negeren of niet naleven reflexive

Vervoeging van neerleggen

neerleggenhele werkwoord — legde neerverleden tijd enkelvoud — legden neerverleden tijd meervoud — neergelegdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik leg neer legde neer
jij legt neer legde neer
hij, zij, het legt neer legde neer
wij leggen neer legden neer
jullie leggen neer legden neer
zij leggen neer legden neer
Alle 158 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben neergelegd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent neergelegd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is neergelegd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was neergelegd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd neergelegd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt neergelegd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal neergelegd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal neergelegd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou neergelegd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou neergelegd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had neergelegd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had neergelegd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had neergelegd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden neergelegd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden neergelegd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden neergelegd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt neergelegd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb neergelegd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben neergelegd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben neergelegd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben neergelegd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben neergelegd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt neergelegd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft neergelegd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft neergelegd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is neergelegd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is neergelegd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
leg neer gebiedende wijs
leg u/je neer, legt je neer gebiedende wijs
legde neer verleden tijd
neer te leggen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
neer te zullen leggen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
neer zal leggen bijzin, toekomende tijd
neer zou leggen bijzin, voorwaardelijk
neer zouden leggen bijzin, voorwaardelijk
neer zoudt leggen bijzin, voorwaardelijk
neer zullen leggen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
neer zullen leggen bijzin, toekomende tijd
neer zult leggen bijzin, toekomende tijd
neergelegd verleden tijd, deelwoord
neergelegd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
neergelegd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
neergelegd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
neergelegd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
neergelegd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
neergelegd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
neergelegd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
neergelegd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
neergelegd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
neergelegd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
neerleg bijzin, tegenwoordige tijd
neerlegde bijzin, verleden tijd
neerlegden bijzin, verleden tijd
neerleggend onvoltooid, deelwoord
neerlegt bijzin, tegenwoordige tijd
te hebben neergelegd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen neerleggen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart neergelegd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren neergelegd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren neergelegd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren neergelegd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was neergelegd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was neergelegd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was neergelegd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd neergelegd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd neergelegd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd neergelegd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden neergelegd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden neergelegd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden neergelegd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt neergelegd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word neergelegd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden neergelegd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden neergelegd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden neergelegd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt neergelegd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt neergelegd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal me neerleggen eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal neergelegd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal neergelegd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal neergelegd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal neergelegd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal neergelegd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal neergelegd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal neergelegd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal neerleggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal neerleggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal neerleggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal neerleggen bijzin, toekomende tijd
zal zich neerleggen derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal, zult je neerleggen tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zich neergelegd hebben verleden tijd
zich neerleggend onvoltooid, deelwoord
zijn neergelegd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn neergelegd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn neergelegd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt neergelegd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou neergelegd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou neergelegd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou neergelegd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou neergelegd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou neergelegd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou neergelegd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou neergelegd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou neergelegd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou neergelegd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou neerleggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou neerleggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou neerleggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou neerleggen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) neerleggen neer zou(dt) leggen bijzin, voorwaardelijk
zouden neergelegd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden neergelegd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden neergelegd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden neergelegd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden neergelegd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden neergelegd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden neergelegd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden neergelegd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden neergelegd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden neerleggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden neerleggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden neerleggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden neerleggen bijzin, voorwaardelijk
zoudt neergelegd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt neergelegd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt neergelegd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt neerleggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt neerleggen bijzin, voorwaardelijk
zullen je neerleggen tweede persoon, toekomende tijd, meervoud
zullen neergelegd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen neergelegd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen neergelegd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen neergelegd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen neergelegd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen neergelegd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen neergelegd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen neergelegd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van neer en leggen

Woordfamilie van neerleggen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
leg neer gebiedende wijs neerleggen
legde neer verleden tijd neerleggen
legden neer aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon neerleggen
legge neer woordvorm neerleggen
leggen neer aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon neerleggen
legt neer aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon neerleggen
neerleg subordinate-clause, tegenwoordige tijd neerleggen
neerlegde subordinate-clause, verleden tijd neerleggen
neerlegden subordinate-clause, verleden tijd neerleggen
neerlegge with-subordinate-clause neerleggen
neerleggend onvoltooid deelwoord neerleggen
neerleggende woordvorm neerleggen
neerlegt subordinate-clause, tegenwoordige tijd neerleggen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van neerleggen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over neerleggen

Hoe spreek ik neerleggen uit?
Zo spreek je neerleggen uit: /nerlɛgə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft.
Wat is de betekenis van neerleggen?
Neerleggen is een werkwoord. De betekenis is: op iets leggen of plaatsen. In totaal staan er 6 betekenissen.
Hoe vervoeg ik neerleggen?
Zo vervoeg je neerleggen zo: het voltooid deelwoord is neergelegd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord neerleggen is 17 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. N 1
  2. E 1
  3. E 1
  4. R 2
  5. L 3
  6. E 1
  7. G 3
  8. G 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 17 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

neerleggen levert met Wordfeud minimaal 17 en maximaal 69 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. N 1
  2. E 1
  3. E 1
  4. R 2
  5. L 3
  6. E 1
  7. G 3
  8. G 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 17 zonder bonus
  12. 69 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (L) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

neerleggen in het kort

neerleggen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 6 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van neerleggen staan er 99 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort neerleggen bij een woordfamilie van 13 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

neerleggen: op iets leggen of plaatsen
Deel neerleggen — standaardnederlands.nl