neerkomen
werkwoord /neːrkoːmən/Betekenis
- omlaag komen, omlaag vallen
- op: uiteindelijk betekenen, kortom betekenen
Hoe spreek je neerkomen uit?
/nerkomən/
Neerkomen bestaat uit drie lettergrepen.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| n | nek |
| e | veel |
| r | rood |
| k | kat |
| o | boot |
| m | maan |
| ə | de |
werkwoord
- ~ op: uiteindelijk betekenen, kortom betekenen
Vervoeging van neerkomen
neerkomenhele werkwoord — kwam neerverleden tijd enkelvoud — kwamen neerverleden tijd meervoud — neergekomenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | kom neer | kwam neer |
| jij | komt neer | kwaamt neer |
| hij, zij, het | komt neer | kwam neer |
| wij | komen neer | kwamen neer |
| jullie | komen neer | kwamen neer |
| zij | komen neer | kwamen neer |
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had neergekomen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had neergekomen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had neergekomen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden neergekomen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden neergekomen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden neergekomen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt neergekomen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb neergekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben neergekomen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben neergekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben neergekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben neergekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt neergekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft neergekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft neergekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| kom neer | gebiedende wijs |
| kwam neer | verleden tijd |
| neer te komen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| neer te zullen komen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| neer zal komen | bijzin, toekomende tijd |
| neer zou komen | bijzin, voorwaardelijk |
| neer zouden komen | bijzin, voorwaardelijk |
| neer zoudt komen | bijzin, voorwaardelijk |
| neer zullen komen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| neer zullen komen | bijzin, toekomende tijd |
| neer zult komen | bijzin, toekomende tijd |
| neergekomen | verleden tijd, deelwoord |
| neergekomen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| neergekomen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| neerkom | bijzin, tegenwoordige tijd |
| neerkomend | onvoltooid, deelwoord |
| neerkomt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| neerkwaamt | bijzin, verleden tijd |
| neerkwam | bijzin, verleden tijd |
| neerkwamen | bijzin, verleden tijd |
| te hebben neergekomen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen neerkomen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal neergekomen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal neergekomen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal neergekomen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal neerkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal neerkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal neerkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal neerkomen | bijzin, toekomende tijd |
| zou neergekomen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou neergekomen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou neergekomen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou neerkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou neerkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou neerkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou neerkomen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) neerkomen neer zou(dt) komen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden neergekomen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden neergekomen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden neergekomen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden neerkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden neerkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden neerkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden neerkomen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt neergekomen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt neerkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt neerkomen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen neergekomen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen neergekomen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen neergekomen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen neerkomen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen neerkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen neerkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen neerkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen neerkomen | bijzin, toekomende tijd |
| zult neergekomen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult neerkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult neerkomen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal neerkomen neer zult/zal komen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van neer en komen
Woordfamilie van neerkomen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kom neer | gebiedende wijs | neerkomen |
| kome neer | woordvorm | neerkomen |
| komen neer | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | neerkomen |
| komt neer | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | neerkomen |
| kwam neer | verleden tijd | neerkomen |
| kwamen neer | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | neerkomen |
| neergekomen | voltooid deelwoord | neerkomen |
| neerkom | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | neerkomen |
| neerkome | with-subordinate-clause | neerkomen |
| neerkomend | onvoltooid deelwoord | neerkomen |
| neerkomende | woordvorm | neerkomen |
| neerkomt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | neerkomen |
| neerkwam | subordinate-clause, verleden tijd | neerkomen |
| neerkwamen | subordinate-clause, verleden tijd | neerkomen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van neerkomen zijn vastgelegd.