neerknallen
werkwoordBetekenis
- luidruchtig met schoten doden
Vervoeging van neerknallen
neerknallenhele werkwoord — knalde neerverleden tijd enkelvoud — knalden neerverleden tijd meervoud — neergeknaldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | knal neer | knalde neer |
| jij | knalt neer | knalde neer |
| hij, zij, het | knalt neer | knalde neer |
| wij | knallen neer | knalden neer |
| jullie | knallen neer | knalden neer |
| zij | knallen neer | knalden neer |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben neergeknald | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent neergeknald | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is neergeknald | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was neergeknald | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd neergeknald | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt neergeknald | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal neergeknald worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal neergeknald zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou neergeknald worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou neergeknald zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had neergeknald | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had neergeknald | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had neergeknald | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden neergeknald | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden neergeknald | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden neergeknald | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt neergeknald | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb neergeknald | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben neergeknald | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben neergeknald | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben neergeknald | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben neergeknald | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt neergeknald | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft neergeknald | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft neergeknald | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is neergeknald | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is neergeknald | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| knal neer | gebiedende wijs |
| knalde neer | verleden tijd |
| neer te knallen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| neer te zullen knallen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| neer zal knallen | bijzin, toekomende tijd |
| neer zou knallen | bijzin, voorwaardelijk |
| neer zouden knallen | bijzin, voorwaardelijk |
| neer zoudt knallen | bijzin, voorwaardelijk |
| neer zullen knallen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| neer zullen knallen | bijzin, toekomende tijd |
| neer zult knallen | bijzin, toekomende tijd |
| neergeknald | verleden tijd, deelwoord |
| neergeknald te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| neergeknald te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| neergeknald te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| neergeknald te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| neergeknald te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| neergeknald worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| neergeknald zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| neergeknald zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| neergeknald zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| neergeknald zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| neerknal | bijzin, tegenwoordige tijd |
| neerknalde | bijzin, verleden tijd |
| neerknalden | bijzin, verleden tijd |
| neerknallend | onvoltooid, deelwoord |
| neerknalt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| te hebben neergeknald | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen neerknallen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart neergeknald | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren neergeknald | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren neergeknald | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren neergeknald | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was neergeknald | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was neergeknald | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was neergeknald | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd neergeknald | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd neergeknald | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd neergeknald | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden neergeknald | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden neergeknald | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden neergeknald | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt neergeknald | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word neergeknald | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden neergeknald | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden neergeknald | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden neergeknald | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt neergeknald | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt neergeknald | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal neergeknald hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal neergeknald hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal neergeknald hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal neergeknald worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal neergeknald worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal neergeknald zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal neergeknald zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal neerknallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal neerknallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal neerknallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal neerknallen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn neergeknald | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn neergeknald | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn neergeknald | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt neergeknald | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou neergeknald hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou neergeknald hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou neergeknald hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou neergeknald worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou neergeknald worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou neergeknald worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou neergeknald zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou neergeknald zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou neergeknald zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou neerknallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou neerknallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou neerknallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou neerknallen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) neerknallen neer zou(dt) knallen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden neergeknald hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden neergeknald hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden neergeknald hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden neergeknald worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden neergeknald worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden neergeknald worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden neergeknald zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden neergeknald zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden neergeknald zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden neerknallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden neerknallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden neerknallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden neerknallen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt neergeknald hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt neergeknald worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt neergeknald zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt neerknallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt neerknallen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen neergeknald hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen neergeknald hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen neergeknald hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen neergeknald worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen neergeknald worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen neergeknald worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen neergeknald zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen neergeknald zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen neergeknald zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen neerknallen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen neerknallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen neerknallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen neerknallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen neerknallen | bijzin, toekomende tijd |
| zult neergeknald hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van neer en knallen
Woordfamilie van neerknallen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| knal neer | gebiedende wijs | neerknallen |
| knalde neer | verleden tijd | neerknallen |
| knalden neer | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | neerknallen |
| knalle neer | woordvorm | neerknallen |
| knallen neer | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | neerknallen |
| knalt neer | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | neerknallen |
| neergeknald | voltooid deelwoord | neerknallen |
| neergeknalde | woordvorm | neerknallen |
| neerknal | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | neerknallen |
| neerknalde | subordinate-clause, verleden tijd | neerknallen |
| neerknalden | subordinate-clause, verleden tijd | neerknallen |
| neerknalle | with-subordinate-clause | neerknallen |
| neerknallend | onvoltooid deelwoord | neerknallen |
| neerknallende | woordvorm | neerknallen |
| neerknalt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | neerknallen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van neerknallen zijn vastgelegd.