lossen
werkwoord, zelfstandig naamwoord /ˈlɔsə(n)/Betekenis
- losser maken
- afschieten
- ontladen, afladen
- zich ontdoen van
- afhaken, achteropraken
Hoe spreek je lossen uit?
/ˈlɔsən/
Lossen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| l | land |
| ɔ | bot |
| s | sok |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van lossen
lossenhele werkwoord — losteverleden tijd enkelvoud — lostenverleden tijd meervoud — gelostvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | los | loste |
| jij | lost | loste |
| hij, zij, het | lost | loste |
| wij | lossen | losten |
| jullie | lossen | losten |
| zij | lossen | losten |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gelost | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gelost | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gelost | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gelost | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gelost worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gelost zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gelost worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gelost zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gelost | verleden tijd, deelwoord |
| gelost te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gelost zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gelost | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gelost | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gelost | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gelost | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gelost | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gelost | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gelost | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gelost | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gelost | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gelost | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gelost | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gelost | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gelost | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gelost | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gelost | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| los | gebiedende wijs |
| losse | aanvoegende wijs |
| lossend | onvoltooid, deelwoord |
| loste | verleden tijd |
| te hebben gelost | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te lossen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen lossen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gelost hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gelost hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gelost hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal lossen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal lossen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal lossen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gelost hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gelost hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gelost hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou lossen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou lossen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou lossen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gelost hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gelost hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gelost hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden lossen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden lossen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden lossen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gelost hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt lossen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gelost hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gelost hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gelost hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen lossen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen lossen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen lossen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen lossen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gelost hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult lossen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord los
Herkomst
In de betekenis van ‘uitladen’ voor het eerst aangetroffen in 1254
Woordfamilie van lossen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gelost | voltooid deelwoord | lossen |
| geloste | woordvorm | lossen |
| lossend | onvoltooid deelwoord | lossen |
| lossende | woordvorm | lossen |
| losten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | lossen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van lossen zijn vastgelegd.