Naar de inhoud

losschieten

plotseling vrijkomen uit een vaste verbinding

losschieten

werkwoord ˈlɔsχitə(n)

Betekenis

  1. plotseling vrijkomen uit een vaste verbinding
  2. carbidschieten

Hoe spreek je losschieten uit?

/ˈlɔsxitən/

Losschieten bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈlɔsxitən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
l land
ɔ bot
s sok
x acht
i riet
t tak
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van losschieten

losschietenhele werkwoord — schoot losverleden tijd enkelvoud — schoten losverleden tijd meervoud — losgeschotenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik schiet los schoot los
jij schiet los schoot los
hij, zij, het schiet los schoot los
wij schieten los schoten los
jullie schieten los schoten los
zij schieten los schoten los
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ben losgeschoten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent losgeschoten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
ev. gebiedende wijs
is losgeschoten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is losgeschoten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
los te schieten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
los te zullen schieten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
los zal schieten bijzin, toekomende tijd
los zou schieten bijzin, voorwaardelijk
los zouden schieten bijzin, voorwaardelijk
los zoudt schieten bijzin, voorwaardelijk
los zullen schieten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
los zullen schieten bijzin, toekomende tijd
los zult schieten bijzin, toekomende tijd
losgeschoten verleden tijd, deelwoord
losgeschoten te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
losgeschoten zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
losschiet bijzin, tegenwoordige tijd
losschietend onvoltooid, deelwoord
losschoot bijzin, verleden tijd
losschoten bijzin, verleden tijd
schiet los gebiedende wijs
schoot los verleden tijd
te zijn losgeschoten actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen losschieten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart losgeschoten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren losgeschoten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren losgeschoten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren losgeschoten voltooid, verleden tijd, derde persoon
was losgeschoten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was losgeschoten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was losgeschoten voltooid, verleden tijd, derde persoon
zal losgeschoten zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal losgeschoten zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal losgeschoten zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal losschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal losschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal losschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal losschieten bijzin, toekomende tijd
zijn losgeschoten actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn losgeschoten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn losgeschoten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn losgeschoten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt losgeschoten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou losgeschoten zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou losgeschoten zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou losgeschoten zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou losschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou losschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou losschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou losschieten bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) losschieten los zou(dt) schieten bijzin, voorwaardelijk
zouden losgeschoten zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden losgeschoten zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden losgeschoten zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden losschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden losschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden losschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden losschieten bijzin, voorwaardelijk
zoudt losgeschoten zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt losschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt losschieten bijzin, voorwaardelijk
zullen losgeschoten zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen losgeschoten zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen losgeschoten zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen losschieten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen losschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen losschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen losschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen losschieten bijzin, toekomende tijd
zult losgeschoten zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult losschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult losschieten bijzin, toekomende tijd
zult/zal losschieten los zult/zal schieten bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van los en schieten

Woordfamilie van losschieten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
losgeschoten voltooid deelwoord losschieten
losschiet subordinate-clause, tegenwoordige tijd losschieten
losschiete with-subordinate-clause losschieten
losschietend onvoltooid deelwoord losschieten
losschietende woordvorm losschieten
losschoot subordinate-clause, verleden tijd losschieten
losschoten subordinate-clause, verleden tijd losschieten
schiet los gebiedende wijs losschieten
schiete los woordvorm losschieten
schieten los aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon losschieten
schoot los verleden tijd losschieten
schoten los aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon losschieten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van losschieten zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over losschieten

Hoe spreek je losschieten uit?
De uitspraak van losschieten is: /ˈlɔsχitə(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd. Het teken ˈ geeft de klemtoon aan: de nadruk valt op de eerste lettergreep.
Wat betekent losschieten?
Losschieten is een werkwoord. Het woord betekent: plotseling vrijkomen uit een vaste verbinding. Deze pagina beschrijft 2 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je losschieten?
Je vervoegt losschieten als volgt: het voltooid deelwoord is losgeschoten. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord losschieten is 23 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. L 3
  2. O 1
  3. S 2
  4. S 2
  5. C 5
  6. H 4
  7. I 1
  8. E 1
  9. T 2
  10. E 1
  11. N 1
  12. 23 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

losschieten levert met Wordfeud minimaal 24 en maximaal 102 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. L 3
  2. O 1
  3. S 2
  4. S 2
  5. C 5
  6. H 4
  7. I 2
  8. E 1
  9. T 2
  10. E 1
  11. N 1
  12. 24 zonder bonus
  13. 102 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

losschieten in het kort

losschieten staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 2 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van losschieten zijn 44 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort losschieten bij een woordfamilie van 12 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

losschieten: plotseling vrijkomen uit een vaste verbinding
Deel losschieten — standaardnederlands.nl