uitlaten
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈœytlatə(n)Betekenis
- iemand ~: iemand het huis uit begeleiden
- iets ~: een huisdier -meest een hond- naar buiten laten
- zich ~ over: een uitspraak ergens over doen
Hoe spreek je uitlaten uit?
/ˈœytlatən/
Uitlaten bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| œy | huis |
| t | tak |
| l | land |
| a | maan |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van uitlaten
uitlatenhele werkwoord — liet uitverleden tijd enkelvoud — lieten uitverleden tijd meervoud — uitgelatenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | laat uit | liet uit |
| jij | laat uit | liet uit |
| hij, zij, het | laat uit | liet uit |
| wij | laten uit | lieten uit |
| jullie | laten uit | lieten uit |
| zij | laten uit | lieten uit |
Alle 157 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben uitgelaten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent uitgelaten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is uitgelaten | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was uitgelaten | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd uitgelaten | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt uitgelaten | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal uitgelaten worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal uitgelaten zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou uitgelaten worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou uitgelaten zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had uitgelaten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had uitgelaten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had uitgelaten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden uitgelaten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden uitgelaten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden uitgelaten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt uitgelaten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb uitgelaten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgelaten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben uitgelaten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgelaten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben uitgelaten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt uitgelaten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgelaten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgelaten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is uitgelaten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is uitgelaten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| laat u/je uit, laat je uit | gebiedende wijs |
| laat uit | gebiedende wijs |
| liet uit | verleden tijd |
| te hebben uitgelaten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen uitlaten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit te laten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uit te zullen laten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit zal laten | bijzin, toekomende tijd |
| uit zou laten | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zouden laten | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zoudt laten | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zullen laten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uit zullen laten | bijzin, toekomende tijd |
| uit zult laten | bijzin, toekomende tijd |
| uitgelaten | verleden tijd, deelwoord |
| uitgelaten te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uitgelaten te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uitgelaten te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgelaten te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgelaten te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgelaten worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uitgelaten zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uitgelaten zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgelaten zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgelaten zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitlaat | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitlatend | onvoltooid, deelwoord |
| uitliet | bijzin, verleden tijd |
| uitlieten | bijzin, verleden tijd |
| waart uitgelaten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgelaten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren uitgelaten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgelaten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was uitgelaten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was uitgelaten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was uitgelaten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd uitgelaten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd uitgelaten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd uitgelaten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden uitgelaten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden uitgelaten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden uitgelaten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt uitgelaten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word uitgelaten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden uitgelaten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden uitgelaten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden uitgelaten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt uitgelaten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt uitgelaten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal me uitlaten | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal uitgelaten hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgelaten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal uitgelaten hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitgelaten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgelaten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal uitgelaten zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgelaten zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitlaten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal uitlaten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal uitlaten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal uitlaten | bijzin, toekomende tijd |
| zal zich uitlaten | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je uitlaten | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich uitgelaten hebben | verleden tijd |
| zich uitlatend | onvoltooid, deelwoord |
| zijn uitgelaten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn uitgelaten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn uitgelaten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt uitgelaten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou uitgelaten hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgelaten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgelaten hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitgelaten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgelaten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou uitgelaten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgelaten zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgelaten zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgelaten zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitlaten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou uitlaten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou uitlaten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou uitlaten | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) uitlaten uit zou(dt) laten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden uitgelaten hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgelaten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgelaten hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitgelaten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitgelaten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitgelaten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitgelaten zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgelaten zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgelaten zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitlaten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitlaten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitlaten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden uitlaten | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt uitgelaten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitgelaten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitgelaten zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitlaten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt uitlaten | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen je uitlaten | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen ons uitlaten | eerste persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen uitgelaten hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgelaten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgelaten hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitgelaten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitgelaten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitgelaten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitgelaten zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgelaten zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord uitlaat
Herkomst
samenstelling van uit bw en laten ww
Woordfamilie van uitlaten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| laat uit | gebiedende wijs | uitlaten |
| late uit | woordvorm | uitlaten |
| laten uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | uitlaten |
| liet uit | verleden tijd | uitlaten |
| lieten uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | uitlaten |
| uitlate | with-subordinate-clause | uitlaten |
| uitlatend | onvoltooid deelwoord | uitlaten |
| uitlatende | woordvorm | uitlaten |
| uitliet | subordinate-clause, verleden tijd | uitlaten |
| uitlieten | subordinate-clause, verleden tijd | uitlaten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitlaten zijn vastgelegd.