Naar de inhoud

uitlaten

iemand ~: iemand het huis uit begeleiden

uitlaten is meer dan één woord

uitlaten

werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈœytlatə(n)

Betekenis

  1. iemand ~: iemand het huis uit begeleiden
  2. iets ~: een huisdier -meest een hond- naar buiten laten
  3. zich ~ over: een uitspraak ergens over doen

Hoe spreek je uitlaten uit?

/ˈœytlatən/

Uitlaten bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈœytlatən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
œy huis
t tak
l land
a maan
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van uitlaten

uitlatenhele werkwoord — liet uitverleden tijd enkelvoud — lieten uitverleden tijd meervoud — uitgelatenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik laat uit liet uit
jij laat uit liet uit
hij, zij, het laat uit liet uit
wij laten uit lieten uit
jullie laten uit lieten uit
zij laten uit lieten uit
Alle 157 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben uitgelaten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent uitgelaten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is uitgelaten impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was uitgelaten impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd uitgelaten impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt uitgelaten impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal uitgelaten worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal uitgelaten zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou uitgelaten worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou uitgelaten zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had uitgelaten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had uitgelaten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had uitgelaten voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden uitgelaten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden uitgelaten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden uitgelaten voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt uitgelaten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb uitgelaten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgelaten actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben uitgelaten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgelaten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben uitgelaten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt uitgelaten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgelaten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgelaten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is uitgelaten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is uitgelaten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
laat u/je uit, laat je uit gebiedende wijs
laat uit gebiedende wijs
liet uit verleden tijd
te hebben uitgelaten actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen uitlaten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit te laten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uit te zullen laten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit zal laten bijzin, toekomende tijd
uit zou laten bijzin, voorwaardelijk
uit zouden laten bijzin, voorwaardelijk
uit zoudt laten bijzin, voorwaardelijk
uit zullen laten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uit zullen laten bijzin, toekomende tijd
uit zult laten bijzin, toekomende tijd
uitgelaten verleden tijd, deelwoord
uitgelaten te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgelaten te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgelaten te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgelaten te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgelaten te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgelaten worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgelaten zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgelaten zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgelaten zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgelaten zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitlaat bijzin, tegenwoordige tijd
uitlatend onvoltooid, deelwoord
uitliet bijzin, verleden tijd
uitlieten bijzin, verleden tijd
waart uitgelaten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgelaten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren uitgelaten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgelaten voltooid, verleden tijd, derde persoon
was uitgelaten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was uitgelaten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was uitgelaten voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd uitgelaten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd uitgelaten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd uitgelaten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden uitgelaten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden uitgelaten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden uitgelaten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt uitgelaten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word uitgelaten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden uitgelaten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden uitgelaten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden uitgelaten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt uitgelaten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt uitgelaten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal me uitlaten eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal uitgelaten hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgelaten hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal uitgelaten hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitgelaten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgelaten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal uitgelaten zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgelaten zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitlaten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal uitlaten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal uitlaten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal uitlaten bijzin, toekomende tijd
zal zich uitlaten derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal, zult je uitlaten tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zich uitgelaten hebben verleden tijd
zich uitlatend onvoltooid, deelwoord
zijn uitgelaten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn uitgelaten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn uitgelaten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt uitgelaten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou uitgelaten hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgelaten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgelaten hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitgelaten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgelaten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou uitgelaten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgelaten zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgelaten zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgelaten zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitlaten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou uitlaten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou uitlaten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou uitlaten bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) uitlaten uit zou(dt) laten bijzin, voorwaardelijk
zouden uitgelaten hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgelaten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgelaten hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgelaten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitgelaten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitgelaten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgelaten zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgelaten zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgelaten zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitlaten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitlaten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitlaten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden uitlaten bijzin, voorwaardelijk
zoudt uitgelaten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitgelaten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitgelaten zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitlaten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt uitlaten bijzin, voorwaardelijk
zullen je uitlaten tweede persoon, toekomende tijd, meervoud
zullen ons uitlaten eerste persoon, toekomende tijd, meervoud
zullen uitgelaten hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgelaten hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgelaten hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitgelaten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitgelaten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitgelaten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitgelaten zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgelaten zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord uitlaat

Herkomst

samenstelling van uit bw en laten ww

Woordfamilie van uitlaten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
laat uit gebiedende wijs uitlaten
late uit woordvorm uitlaten
laten uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon uitlaten
liet uit verleden tijd uitlaten
lieten uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon uitlaten
uitlate with-subordinate-clause uitlaten
uitlatend onvoltooid deelwoord uitlaten
uitlatende woordvorm uitlaten
uitliet subordinate-clause, verleden tijd uitlaten
uitlieten subordinate-clause, verleden tijd uitlaten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitlaten zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over uitlaten

Hoe spreek ik uitlaten uit?
Zo spreek je uitlaten uit: /ˈœytlatə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van uitlaten?
Uitlaten is een werkwoord. De betekenis is: iemand ~: iemand het huis uit begeleiden. In totaal staan er 3 betekenissen.
Hoe vervoeg ik uitlaten?
Zo vervoeg je uitlaten zo: het voltooid deelwoord is uitgelaten. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord uitlaten is 15 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. U 4
  2. I 1
  3. T 2
  4. L 3
  5. A 1
  6. T 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 15 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

uitlaten levert met Wordfeud minimaal 14 en maximaal 60 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. U 2
  2. I 2
  3. T 2
  4. L 3
  5. A 1
  6. T 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 14 zonder bonus
  10. 60 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (L) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

uitlaten in het kort

uitlaten is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Wat het is, hangt af van de zin. Hierboven vind je 3 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van uitlaten staan er 97 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort uitlaten bij een woordfamilie van 10 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

uitlaten: iemand ~: iemand het huis uit begeleiden
Deel uitlaten — standaardnederlands.nl